Zeekoet voor de kust

Een zeekoet voor de kust. Dat kan je zomaar overkomen aan de Brouwersdam. Gisteren deed ik een rondje Zeeland en na de Grevelingendam (met die prachtige kanoet) reed ik over Schouwen-Duiveland naar de Brouwersdam. Windkracht zes is niet heel ideaal om vogels te kijken, zeker niet als al die wind uit het westen komt. Voordeel is dat zeevogels ook wat meer naar onze kust worden gedreven. Zoals deze zeekoet die op nog geen twee meter voor de Brouwersdam zwom.

Dode zeekoet op de kant

Het was niet mijn eerste zeekoet van dit jaar. Een paar weken geleden was ik ook op de Brouwersdam. De rest van de familie bivakkeerde op het strand en ik reed langs het talud op zoek naar steltlopers. Al rijdend viel mijn oog op een platgereden vogel. ‘Een zeekoet,’ flitste door mijn hoofd en ik zette de auto in zijn achteruit. Inderdaad, een zeekoet, zo dood als een pier en zo plat als een pannenkoek. Je ziet hem boven dit artikel op het asfalt plakken. Zonde van het beestje. En de grote vraag: hoe komt een zeekoet zo hoog op het talud? Want hij lag wel heel dicht bij de rijbaan. Misschien tijdens hoog water aan wal gekropen? Dat zou uniek zijn, want zeekoeten overwinteren op zee, liefst ver weg op de Noordzee. Of heeft een zilvermeeuw of grote mantelmeeuw hem de kant op gesleurd? Ik zal het nooit te weten komen. Trouwens, ver weg op zee wordt hij bedreigd door olie dat op de golven drijft. Overal dreigt dus gevaar.

Tientallen meters diep

Ondertussen is het al mijn zoveelste najaar/winter op rij dat ik een zeekoet zie voor de Brouwersdam. Jaren achter elkaar geen zeekoet gezien, en nu lijkt het wel alsof deze soort vaste gast is. En altijd vlak onder de kant tot in de spuisluis aan toe. Waar de zeekoet jaagt op vis van het formaat haring of spiering. Ik lees in het Handboek Vogels van Nederland en België dat de zeekoet tot enkele tientallen meters diep kan duiken. Zo diep is het daar op de Brouwersdam niet, hooguit een meter of vier á vijf. Maar het geeft wel aan dat de Common Murre zoals zijn Engelse naam luidt een echte zeevogel is. Een beetje de pinguïn van het noordelijk halfrond, te samen met de alk en kleine alk.




Het ei van de zeekoet

Over de zeekoet valt nog een heel ander verhaal te vertellen. Vorig jaar besprak ik het boek Het vogelei van Tim Birkhead. Een boek over vogeleieren, maar de zeekoet speelt een prominente rol in het verhaal over het vogelei. Hoe dat komt? Tijdens ‘De Verlichting’ ontwaakte de ontdekkingsgeest en sloeg de elite aan het verzamelen. Kunstwerken, opgezette beesten (het liefst zo buitenissig mogelijk), fossielen en: vogeleieren. Hoe unieker het ei, hoe beter voor het zelfbeeld. En wat is er nu aan de hand met de zeekoet? Die legt eieren en niet één ei is hetzelfde. Eieren van onze zeevogel vertonen allerlei kleuren. Een ondergrond van diepgroen of bruinrood. En dan nog de spikkels, of het ontbreken van spikkels. Of een donkere, roodbruine band over het midden. Die variant, het ‘Metland-ei’, was het meest geliefd.

De verzamelwoede was enorm, de lokale bevolking van de kustgebieden in Engeland liet zich aan touwen langs de kliffen zakken. Complete kolonies kwamen onder druk te staan en dreigden te verdwijnen. En dat allemaal voor dat ene zeldzame ei. Gelukkig is die vreemde menselijke neiging in de loop van de tijd weggeëbd en kun je in Schotland weer genieten van enorme broedkolonies.

Buitenboordmotor

Over naar mijn zeekoet, vlak voor de Brouwersdam. Het beestje roeit rustig door het woelige water. Een enkele keer schudt hij met zijn kop. Als je goed kijkt, zie je hoe hij zijn poten als buitenboordmotor gebruikt. Als een torpedo ligt hij in het water. Nu nog een beetje sloom, maar als het eenmaal uit jagen gaat, dan gaat het razendsnel. Alleen zie je dat niet, want dat gedeelte speelt zich af in de diepte.

De beste vogelgidsen van dit moment:
Reageer op dit artikel: