Recensie: Verschenen of verdwenen, SOVON Vogelonderzoek Nederland

De vogelwereld is voortdurend in beweging. Soorten die honderd jaar geleden niet in Nederland broedden, hebben ons land inmiddels (weer) ontdekt. En soorten die voorheen (regionaal) algemeen waren, zijn als broedvogel uitgestorven. SOVON Vogelonderzoek Nederland bracht de veranderingen in de broedvogelbevolking in Nederland in kaart en publiceerde onlangs het standaardwerk Verschenen of verdwenen. Welke soorten verdwenen en welke verschenen? Ik verzeker je: de uitkomst is best verrassend.

Bij oppervlakkige beschouwing zou je bij het lezen van Verschenen of verdwenen misschien concluderen dat het zo slecht nog niet gaat met de broedvogelbevolking in Nederland. Vanaf het begin van de twintigste eeuw verdwenen 12 soorten. Daar staat tegenover dat 49 soorten hun intrede deden samen met 9 exoten die zich ook in Nederland weten voort te planten. Wie heel droog de rekenmachine hanteert concludeert: er is meer bijgekomen dan er verdween en dus is de avifauna in ons land flink verrijkt de afgelopen eeuw.

Deze simpele rekensom is wat hij is: simpel, al te simpel. Want welke vogels verdwenen? Dat blijken bosruiter, goudplevier, roodkopklauwier, griel, hop, bonte kraai, klapekster, ortolaan, duinpieper, korhoen, kuifleeuwerik en grauwe gors te zijn. Valt hier iets uit te concluderen? Jazeker. Allereerst dat voedselarme, open natuurgebieden als hoogvenen, duinen en heide in kwaliteit hebben ingeboet. We hoeven de stikstofcrisis maar te noemen en veel mensen zullen begrijpen wat hiermee wordt bedoeld. Open heide- en duingebieden groeiden dicht. Hoogvenen werden vernietigd. En weg zijn de vogels die gevoelig zijn voor dit soort veranderingen. Soorten als ortolaan en grauwe gors staan symbool voor vogels die het in de landbouwgebieden niet meer uit wisten te houden. De kuifleeuwerik was vroeger een algemene broedvogel op braakliggende stukken grond in de bebouwde kom. Oudere vogelaars konden zich destijds niet voorstellen dat een algemene soort als de kuifleeuwerik binnen enkele decennia zou verdwijnen uit als land. Je mag concluderen dat belangrijke biotopen in ons land enorm aan kwaliteit hebben ingeboet. Want, zo lees ik in dagblad Trouw: vogels zijn de kanaries in de kolenmijn. Ontwikkelingen in het vogelrijk hebben een signaalfunctie voor de biodiversiteit in zijn geheel. Je mag gerust aannemen dat met de bosruiter, goudplevier en roodkopklauwier ook heel wat gevoelige planten, insecten en andere organismen verdwenen zijn.

Daarnaast moet bij een aantal nieuwkomers worden opgemerkt dat hun aantal heel gering is. Denk aan de hop en roodmus. Soorten als de kramsvogel en buidelmees leken aan een opmars bezig, maar even snel als ze kwamen, lijken ze ook te verdwijnen. Als van een bepaalde soort maar een miniem aantal in ons land broedt, wat zegt dat over de vogelrijkdom in ons land? Wat mij betreft niet veel.

Maar eerlijk is eerlijk: toch is het niet louter kommer en kwel. Tot mijn verrassing schatten de onderzoekers van SOVON dat het aantal broedparen in de jaren 1915 en 2012 niet eens zo gek veel van elkaar verschillen: ongeveer 12 miljoen broedparen. Ik vind dat verrassend, omdat bedrijventerreinen, uitbreiding van stedelijke gebieden en aanleg van wegen ten koste ging en gaat van enorme lappen natuur. En over de natuurlijke kwaliteit van landbouwgebieden kunnen we denk ik kort zijn: die is akelig verarmd door schaalvergroting en intensief bodemgebruik. En toch bleef het aantal broedparen gelijk. Hoe kan dat?

recensie verschenen of verdwenen SOVON Vogelonderzoek Nederland

De eerste factor is dat de bosgebieden in de afgelopen eeuw aantrekkelijker werd voor tal van bosvogels, waaronder de middelste bonte specht en zwarte specht. Een andere factor is dat een aantal vogels was uitgestorven in ons land en zich in de twintigste eeuw weer opnieuw in ons land vestigden. Denk aan de zeearend en slechtvalk. Daarnaast lees ik bij een soort als de kuifeend (ik weet niet beter of dit is een algemene broedvogel, maar begin twintigste eeuw broedde hij nog niet in ons land), dat die richting West-Europa trok vanwege verdroging van leefgebieden in Azië. Voor een soort als de grote zilverreiger geldt dat het aantal broedparen begin twintigste eeuw door jacht en verdroging van wetlands in heel Europa waren gedecimeerd. Maar vanaf halverwege de twintigste eeuw begon deze soort aan een opmars. Door de groei van de Europese populatie ontdekte de grote zilverreiger ook de natuurgebieden in Nederland.  En dan speelt ook een factor als klimaatverandering ook een belangrijke rol voor nieuwkomers. Het klimaat warmt op en soorten uit Zuid-Europa weten zich met succes in ons land te vestigen. Daar staat tegenover dat andere soorten door de opwarming van het klimaat juist verdwijnen uit ons land. Bijeneter, cetti’s zanger en orpheusspotvogel kwamen erbij. Onduidelijk is in hoeverre de verandering van het klimaat een rol speelde bij soorten die verdwenen. De verwachting is echter dat het verspreidingsgebied van honderden soorten broedvogels in Europa over enkele decennia met gemiddeld honderden kilometers noordwaarts verschoven zal zijn. Dat betekent echter niet dat hun verspreidingsgebieden per definitief uitbreiden. In het zuiden van Europa warmt het klimaat zo nodig nog harder op met ingrijpende veranderingen van biotopen als gevolg.

Welke factoren spelen een rol bij de ontwikkelingen per soort? Daar gaan de auteurs van Verschenen of verdwenen uitgebreid op in. Per soort beschrijven ze de ontwikkelingen van het aantal broedpaartjes en factoren die een rol lijken te spelen. Bij de zwartkopmeeuw veronderstelde een gezaghebbende bioloog halverwege de twintigste eeuw dat die zou uitsterven. Dat bleek een verkeerd visioen. De populatie zwartkopmeeuwen breidde sindsdien enorm uit en nu nestelt deze prachtige meeuwensoort ook in ons land. Met name in de Zeeuwse Delta ontstonden kolonies. Het succes is te danken aan betere bescherming, een beter broedresultaat, het ontstaan van nieuwe broedgebieden en mogelijk speelde ook het klimaat een positieve rol.

De roodhalsfuut heeft de ondiepe vennen van het Dwingelderveld in Drenthe ontdekt. Voor de klapekster echter betekende de ontginning van zogenaamde woeste gronden (natte hoogveengebieden) de nekslag. Komt ook nog eens bij dat de populaties in ons omringende landen ook niet floreren, en dat betekent dat herstel op korte termijn onmogelijk lijkt. Herstel moet immers komen uit intrede van vogels uit populaties in landen om ons heen (zie bijvoorbeeld de zeearenden die vanuit Duitsland en Polen ons land ontdekten). Ook de griel verdween uit ons land. Toenemende bebossing in de duinen betekende het einde van zandige open plekken. In een recente studie over de griel ontdekte ik echter dat de griel in ons land ook een echte cultuurvolger was. De mens creëerde hier en daar omstandigheden waarin de griel tot broeden wist te komen.

Hoe lees ik dit nieuwe standaardwerk over de Nederlandse avifauna? Ik kan niet anders concluderen dan met gemengde gevoelens. Enerzijds blij verrast omdat het totaal aantal broedvogels (ongeacht de soorten) gelijk bleef ten opzichte van begin twintigste eeuw. Ook blij verrast dat het aantal nieuwe soorten het aantal verdwenen soorten behoorlijk overtreft. Anderzijds is het deprimerend om te lezen dat voor gevoelige en heel interessante soorten als grauwe gors, ortolaan en roodkopklauwier geen plaats meer is in ons land. Zou zich al een incidenteel broedgeval voordoen, dan heeft dat waarschijnlijk weinig kans van slagen. En welke soorten gaan er in het kielzog van de laatst genoemde soorten nog meer verdwijnen. De grutto misschien, onze nationale vogel? Voor het korhoen en de zomertortel lijkt de toekomst in ons land ook inktzwart. En zoals hierboven al benoemd: de ontwikkelingen van vogelpopulaties zeggen meestal ook iets over de biodiversiteit in het algemeen.

Gelukkig weten vogelonderzoekers elk jaar ook het nieuws te halen met verrassende nieuwe soorten. De ijseend op de Marker Wadden was zo’n sensationeel bericht. Evenals de broedende lachstern op dezelfde eilanden in het IJsselmeer. Ach ja, zo zal ook de komende jaren zich vast wel vaker een onwaarschijnlijk broedgeval gaan voordoen, maar over de betekenis daarvan moeten we ons maar niet te veel voorstellen, denk ik.

De beschrijvingen per soort zijn helder en zijn een heel rijke bron voor elke vogelaar, bioloog en ecoloog. Ook de tussenliggende hoofdstukken moet ik noemen. Dit zijn bijzonder interessante hoofdstukken over bijvoorbeeld de intrede van exoten, de invloed van het opwarmende klimaat en biologische processen die het verschijnen en verdwijnen van soorten verklaren. De foto’s in het boek zijn hoogstaand en dat geldt voor de gehele vormgeving. Het leeslint is een detail dat laat zien dat dit boek met zorg is uitgegeven.

Kortom, dit standaardwerk is van grote klasse en ik ben er voorlopig nog niet in uitgelezen en zeer zeker niet over uitgedacht. Een magnifieke aanvulling bij de Vogelatlas van Nederland bovendien.

Verschenen of verdwenen / SOVON Vogelonderzoek Nederland / Kosmos Uitgevers / als hardcover en als e-book