recensie veldgids mieren van europa claude lebas

Recensie: Veldgids Mieren van Europa, Claude Lebas

Voor me ligt een imposante veldgids die je met recht uniek kunt noemen: de Veldgids Mieren van Europa van Claude Lebas. Nooit eerder verscheen in het Nederland een veldgids die alle mierensoorten van Europa beschrijft. Wil je jezelf verdiepen in de wereld van deze nijvere insecten, dan ontkom je niet aan de aanschaf van deze ‘mierenbijbel’.

Die kwalificatie is denk ik wel terecht: mierenbijbel. Een deel in de befaamde serie van KNNV Uitgeverij. Veel mierensoorten hebben niet eens een Nederlandse naam. Je zult het dus met de Latijnse moeten doen. Gelukkig vind ik achterin een uitgebreid register met Nederlandse namen. Daar kom ik illustere namen tegen als de puntschubmier, de glanzende houtmier, de tweekleurige hartknoopmier en de Kutters gaststreekmier.

Maar eer dat je bij dat register bent aanbeland, heb je al heel wat informatie moeten verstouwen. De uitgebreide inleiding over het leven van de mieren bijvoorbeeld. Soms is het taalgebruik best lastig. Wat zijn bijvoorbeeld ‘inquilinistische mieren’? Of wat betekent ‘Trofobiose’? En wat zijn ‘myrmecofiele planten’? Lees de Veldgids Mieren van Europa en je leert niet alleen héél veel over deze insecten, je doet ook nieuwe woorden op voor een zeker woordspelletje.

Het gaat natuurlijk vooral om de soortbeschrijvingen. Hoe kom je echter uit bij de juiste mier, wanneer je niet weet welke soort het is? Een vogel is groot genoeg om globaal te omschrijven. Mieren echter zijn zo klein, die moet je toch met een loep bekijken en dan nog zie je bepaalde kenmerken over het hoofd. Daartoe opent de veldgids met een globaal overzicht van de West-Europese mieren. Gevolgd door uitgebreide determinatiesleutels waarbij je sterk uitvergrote foto’s te zien krijgt. Mieren determineren betekent dus ook dat je een goede loep of zelfs een microscoop gebruikt. De determinatiesleutels beslaan vele pagina’s. Gelukkig maar, want zonder die sleutels kom je maar moeizaam bij de juiste soort, schat ik in. Het is met de sleutels al moeilijk genoeg.

Het hoofdstuk met soortbeschrijvingen opent met de Genus Stigmatomma. Een Nederlandse naam ontbreekt. Deze soorten komen dan ook alleen in Zuid-Europa voor en zelfs daar niet in alle regio’s, lees ik af op het verspreidingskaartje. Ze leveb in kleine kolonies, veertig individuen gemiddeld. De nesten bevinden zich diep in de bodem. Dat het een genus is betekent dat het een beschrijving is van een complete familie die 60 soorten telt wereldwijd. De verschillen blijken uit het aantal en de vorm van de tanden op de mandibels. Dus zul je de kop sterk moeten uitvergroten, want de mandibels, dat zijn de kaken. Niet met het blote oog te zien… Wel aardig om te weten: de soorten die tot dit genus behoren hebben zich gespecialiseerd in de predatie van duizendpoten. Op de pagina vallen op: de sterk uitvergrote foto van een werkster, het verspreidingskaartje, de tijdlijn met vermelding van de zwermvluchten en de sterk uitvergrote voorkant van de kop.

Dezelfde structuur keert terug op de pagina van de nijptangmier. Sterke uitvergrotingen brengen de mieren tot ‘leven’. De Nederlands-Duitse grens is het meest westelijke leefgebied van de nijptangmier. Verder komt hij voor in heel Scandinavië, Oost- en Centraal-Europa en vreemd genoeg ook in de Pyreneeën.

De Veldgids Mieren van Europa is een kloeke gids die elke insectenliefhebber op de plank zou moeten hebben staan. Deze bijzondere insectengroep komt voor op alle continenten, met uitzondering van de Zuidpool. In Europa leven ongeveer 400 soorten. Wie deze wil leren herkennen, ontkomt niet aan de aanschaf van deze ‘mierenbijbel’.

Veldgids Mieren van Europa / Claude Lebas / KNNV Uitgeverij / als paperback

Mooiste insectenboeken om cadeau te geven

CameraNU.nl