recensie mijn wilde tuin meir shalev

Recensie: Mijn wilde tuin, Meir Shalev

En toen had ik een boek van de voor mij onbekende schrijver Meir Shalev in handen. ‘Eén van de grootste schrijvers uit de moderne Israëlische literatuur,’ prijs de achterkant aan. Het onderwerp haalde me over de streep: de wilde plantentuin waarover Shalev zo ontzettend mooi schrijft in zijn humoristische boek Mijn wilde tuin.

Meir Shalev verhuisde van Jeruzalem naar het dal van Jizreël. Hij koopt een huis met daarachter een lap verwaarloosde grond die hij weer op orde brengt. Een wilde plantentuin wordt het. Met louter inheemse planten en bomen. Een citroenboom. Zeeajuin. Een olijfboom. Cyclamens en anemomen en veel meer. Hij volgt de seizoenen op de voet. Geniet van de dieren die zijn tuin bezoeken. En voert oorlog met een stel blindmuizen die zijn tuin ruïneren. Het droevige lied van de dwergooruil brengt hem zover het droevige lied te imiteren. Enzovoort, enzovoort.

 

Meir Shalev blijkt een meesterlijke schrijver. Schrijft hij over zijn tuin, dan schrijft hij ook over mensen en hun gewoontes. En in het Midden-Oosten waar hij woont, hebben mensen vaak heel eigenaardige gewoontes. Gebaseerd op een heilig boek of traditie. En daar steekt Shalev op zijn geheel eigen wijze vaak de draak mee. Op een milde en filosofische manier die mij vaak een luide lach ontlokte. Een van mijn favoriete verhalen is dat over de vruchtbomen in zijn tuin. ‘Ieder die eronder zit, leidt een gerust en onbekommerd leven volgens de Bijbelse uitdrukking.’ Maar hoeveel fruit kan een mens eten?, vraag hij zich af. En laten we dan ook niet vergeten ‘de extreme gevallen van de wezen, weduwen en weduwnaars die blijven zitten met een halve ton jam, gemaakt door hun dierbare overledenen, die te veel vruchtbomen hebben geplant en hun jams en conserven hebben gevoegd bij de verzameling volle potten die ze zelf hebben geërfd van een grootmoeder of oom, die eigenlijk onbekommerd onder zijn eigen pruimenboom en abrikozenboom had willen zitten maar uiteindelijk verdronk in een pan jam of een ketel compote.’

Meesterlijk hoe Meir Shalev in Mijn wilde tuin met milde humor de spot drijft met zichzelf en de mensen om hen heen. En zou een Israëlische literator de Tenach kunnen negeren, het oerboek waar het volk Israël zijn identiteit aan ontleent? Nou, een heilige koning als Salomo komt bij Meir Shalev niet door de ballotage. Een hedonist was Salomo, een luie heerser en leegloper, die zelf geen moment had gewerkt in zijn leven. In het verhaal over de mieren mijmert Shalev over het feit dat Salomo maar wat jaloers was op het volk van de mieren waar zonen en dochters zelfs geen slavendrijvers nodig hadden om zich als slaaf te onderwerpen. Een scherpzinnige observatie, gedrenkt in fijnzinnige humor.

Niet alleen over de dieren en planten in zijn tuin schrijft Meir Shalev in Mijn wilde tuin. Hij geeft ook een aantal recepten voor heerlijke recepten waarbij hij ook de regels beschrijft voor de bereiding van het recept. Zoals deze: ‘De eerste regel voor de bereiding van dit gerecht is dat je het niet samen doet. Een van de twee gaat aan de slag, de ander krijgt een glas gekoelde witte wijn, wacht tot het gerecht klaar is en kan ondertussen een gesprek voeren met de kok of kokkin of die plagen en met de vingers aan hem of haar zitten, afhankelijk van de fase waarin het stel zich bevindt.’ Dat is nou taal naar mijn hart. Deze regel ga ik uitschrijven en in de keuken ophangen.

Speciaal voor mij wijdt Meir Shavel in Mijn wilde tuin ook een hoofdstuk aan de vogels in zijn tuin. Dan blijkt Israël een walhalla voor vogelliefhebbers. Hop, Palestijnse honingzuiger, palmtortel, halsbandparkiet, slangenarend, Arabische buulbuuls, gestreepte prinia’s, Smyrna-ijsvogel, Syrische bonte specht, kerkuil, dwergooruil, Aziatische steenpatrijs, griel en vele andere vogels bezoeken zijn wilde tuin. Wat een lustoord moet het zijn. Althans, buiten de zomermaanden, want in de zomer blakert zijn tuin in de hete zon en verdorren de meeste planten. Dan past het om het regengebed op te zeggen. Maar helaas, het officiële regengebed helpt niet altijd. ‘Dat is bekend en betreurenswaardig en heeft twee oorzaken. De eerste is dat we niet langer beschikken over de juiste religieuze voorlieden met wie God spreekt en naar wie hij luistert, zoals hij vroeger deed. De tweede is dat de samenstellers van ons regengebed geen landbouwers waren maar rabbijnen en er daarom overwegingen meespelen die irrelevant zijn of zelfs vreemd zijn te noemen.’

Ik kan blijven citeren uit De wilde tuin van Meir Shalev. Ik heb een geweldig boek in handen gehad. Het verhaal over het regengebed gaat natuurlijk verder en eindigt met een hilarische verhandeling over Choni de regenmaker. Trouwens, als God talmt met regen te zenden, wend Meir Shalev zich zonder aarzelen tot Zeus of Baäl, want hij is voor ‘het concurrentiebeginsel.’

‘En als mijn gebed wordt verhoord, profiteren niet alleen mijn tuin en ik, maar ook andere tuinen en tuiniers, het bos en het veld, de dieren en planten daarin, de hele natuur. Mochten er ondertussen hier en daar joden nat worden in hun loofhut, dan is dat geen calamiteit. Het Joodse volk heeft grotere rampen gekend.’

Zelden een boek gelezen met zoveel milde zelfspot en humor  als Mijn wilde tuin.

Mijn wilde tuin / Meir Shalev / ambo|anthos / als hardcover en als e-book

Tover je tuin om tot een insectenparadijs met de volgende planten: