Recensie: Knielen op een bed violen, Jan Siebelink

knielen op een bed violenTijdens mijn vakantie heb ik iets gedaan wat ik zelden eerder deed: een roman herlezen. Het boek dat ik die week in handen nam was de bestseller Knielen op een bed violen van Jan Siebelink. Over zijn laatste boek Margje schreef ik eerder dat ik die roman sterk associeer met het boek Het catastrofale van filosoof Dirk De Schutter. Ik deed zelfs de sterke uitspraak dat je het werk van Siebelink met deze ene term kunt typeren: het catastrofale. Waarmee ik bedoel dat de catastrofe, de ramp, nooit ver weg is in het werk van Jan Siebelink. Geldt dat ook voor zijn meesterwerk Knielen op een bed violen?

Koop dit boek

 

 

Wie het boek heeft gelezen, of recent de verfilming ervan heeft gezien, kent het verhaal. Hans Sievez groeit op in Lathum, gelegen langs de rivier de IJssel, tegenover het stadje Velp. Als jongen was hij betrekkelijk eenzaam. Op het schoolplein voert hij toneelstukjes op die slechts bekeken worden door een paar kinderen uit de lagere klassen. Wel is er dat meisje, Margje van Renes, dat zijn aandacht heeft, en hij de hare. Zijn vader is fabrieksarbeider die thuis een hardvochtig regime hanteert. Als Hans op een dag de rode vulpen van de meester mee naar huis neemt, ranselt de vader hem als straf in het varkenshok af. Moeder is het er niet mee eens, maar is onmachtig, kan niet voorkomen dat haar lieveling de wrede straf moet ondergaan. Al meteen is duidelijk dat vader strikte regels hanteert. Even strikt als Wie de regels van Boven hanteert. Wee, wie met zijn Formeerder twist! Wie niet thuis is in het Protestantisme, ontmoet hier een vorm van uiterst consequent Protestantisme. Een strenge vorm van Protestantisme, waar genade het kostbaarste goed is, zo kostbaar dat het ook het meest schaarse goed is. Zo God, zo vader. De strenge beelden die vader schept, maken deel uit van de leefwereld van Hans. Hij weeft ze in in zijn spel, in zijn verhalen en fantasieën.




Hans vlucht in zijn poppenspel en als hij niet met zijn poppen speelt dan zeult hij zijn konijn mee het Veen in. Daar heeft hij een schuilplaats, Patmos genaamd, een in onbruik geraakte jagershut. Zijn moeder sterft, de hyper orthodoxe mannenbroeders uit Emden leiden de dienst. Zijn vader zinkt verder weg in het strenge Protestantisme. Zo is Hans op een dag er getuige van dat zijn vader in opperste razernij kolen kapot trapt onder het uiten van godsdienstige verwensingen. Maar dan is daar Margje en leidt Hans haar in een lieflijk hoofdstuk naar Patmos, zijn schuilplaats. Met niemand anders is hij ooit op die plek geweest.

Lieflijkheden worden in het werk van Jan Siebelink meestal gevolgd door rampspoed. Je kunt er op wachten. ‘Hij kwam thuis en zag bij de drempel waarover zijn vader eens gevallen was, een donker plasje bloed, als een papaver.’ Het door hem zo geliefde konijn is zojuist geslacht door zijn vader. Dat is de druppel, Hans is voor het laatst thuis en slaat op de vlucht.

Hij komt in Den Haag terecht. In het huis van mevrouw Fleer, een besliste pseudomoeder die beslissingen voor hem neemt en hem manipuleert met de belofte dat Hans een van haar erfgenamen zal zijn. Een loze belofte naar later blijkt, een droom. Hans komt te werken op De witte lelie, een bloemkwekerij waar hij zich ontpopt als een getalenteerde en ijverige werknemer. Hier ontmoet hij Jozef Mieras, een collega die zich ongevraagd over Hans ontfermd. Hans blijkt niet in staat de opdrachten van mevrouw Fleer te weerstaan. Ook op de ongewenste toenadering door Jozef Mieras kan hij slechts antwoorden met een stevige vuistslag op de kaak van Jozef. Hier komen twee karaktertrekjes van Hans aan de oppervlakte: zijn zachtmoedigheid en zijn gebrek om ongewenste zaken op verbale wijze op te lossen. Komt Jozef te dichtbij, dan is er slechts de vuist om de toenadering tot stoppen te brengen. Twee uitersten raken elkaar.

In het tweede deel trouwen Hans en Margje. Ze kopen een stuk land waar Hans zijn eigen bedrijfje op begint: een bloemkwekerij, de zoveelste in de regio. Het zal sappelen blijven met zoveel concurrentie. Hun huwelijk is gelukkig, het stel is ‘gewoon’ lid van de Nederlandse Hervormde Kerk. Een zoon wordt geboren, Ruben. Het is er goed.

Dan doemt Jozef Mieras weer op. Hij is langdurig ziek geweest en op zijn ziekbed heeft hij zijn Pniël gehad oftewel: God heeft zich aan hem doen kennen. Tale Kanaäns voor: Jozef is een discipel van God geworden. Niet lichtvaardig, nee, overeenkomstig de opvattingen van ene ds. Poort wiens opvattingen te vergelijken zijn met die van de strenge Protestanten uit Emden onder wiens invloed de vader van Hans ooit stond. Hans kan geen weerstand bieden aan zijn oude vriend die hij ooit beloonde met een vuistslag. Hij koopt een kostelijk boekje van hem, oud en beduimeld, De navolging van Christus. Het boekje betekent de eerste verwijdering tussen Hans en Margje. Hans vertelt Margje het een en ander over Jozef, maar verhult het meest wezenlijke. Zoals hij voortaan consequent het meest wezenlijke voor zichzelf houdt, er niet over kan praten met Margje.

Hans komt in de ban van de volgelingen van ds. Poort en komt ook tot zijn Pniël. Op een dag openbaart God zich aan hem. Zijn oudste zoon moet hem van de grond oprapen. Met niemand anders kan Hans over deze ervaring spreken dan met de mannenbroeders. Voor Margje blijft hij een gesloten boek. Met haar kan hij niet over deze zaken praten. Hij zou slechts onbegrip ontmoeten. Hij bezoekt samenkomsten van de mannenbroeders, reist stad en land ervoor af en laat daarmee gezin en bedrijf regelmatig in de steek. Het donkere geloof drijft een wig tussen hem en Margje en al helemaal tussen Hans en zijn jongste zoon Tom die op clowneske wijze de draak steekt met zijn vader.

De zachtmoedige Hans is nauwelijks in staat weerwoord te bieden aan afnemers die niet tijdig betalen. Hij is niet in staat de predikers te pareren. Hij volgt ze haast slaafs op, bijvoorbeeld wanneer hij de glasverzekering op de kassen opzegt, op aanraden van Jozef. Prompt verwoest een storm de kwekerij en zijn Hans en Margje (voor wie hij het opzeggen van de verzekering had verzwegen, zoals hij heel veel voor haar verzwijgt) aangewezen op genade uit de samenleving (die er gelukkig blijkt te zijn).

Margje verliest Hans aan het geloof. Het drijft haar tot wanhoop. Sigaretten duiken op in trillende handen zoals de in het zwart geklede mannenbroeders ook met de nodige regelmaat opduiken en het gezin domineren. Eenmaal verlaat ze haar man, maar ze keert terug op haar schreden. De liefde tussen Margje en Hans blijft in stand, maar wezenlijk contact ontbreekt. Met ongelovigen kun je niet over heilige zaken spreken, tenzij het een lieftallige en behoorlijk seculiere schoondochter is, Johanna, de geliefde van zijn zoon Ruben. Zij brengt Hans in bekoring, tot verbazing van Margje en de rest. Jan Siebelink geeft hiermee perfect weer dat ook Hans een mens van vlees en bloed blijft en dat zijn diepste geloofsverlangens vaak innig verstrengeld zijn met meer wereldse verlangens en lusten. Maar daarover kan Hans niet praten, het onbegrip van Margje en van zijn zoons, met name Tom, spat van de bladzijden af.

Knielen op een bed violen is het lineaire verhaal van Hans Sievez. Van jeugd tot sterfbed. In ieders leven komen vreugde en rampspoed voor. Zo ook in het leven van Hans Sievez. Dat Knielen op een bed violen gestempeld wordt door rampspoed vind ik bij nadere lezing wat overtrokken. Het is het verhaal van een man die in de ban komt van een zware vorm van hypercalvinisme. Dat de catastrofes zich als kralen aan een ketting aaneen rijgen is duidelijk. De laatste hoofdstukken vormen de climax, wanneer Hans onvermijdelijk op zijn sterfbed komt te liggen. Voortdurend wordt hij omringd door de mannenbroeders, voor Margje is geen plaats. Stel je voor dat je tijdens het stervensmoment in de ogen van een ongelovige kijkt. In plaats van eeuwig wel, ontvang je dan eeuwig wee. Zou je Knielen op een bed violen vanuit het perspectief van dit stervensproces beoordelen, dan is de kwalificatie catastrofaal wel degelijk op zijn plaats. Hoe lieflijk leidde hij zijn Margje ooit naar Patmos, zijn schuilhut, maar als Margje voor het laatst bij hem wil zijn, precies op het moment van sterven, staat zij op de drempel van de voorkamer, wordt ze van hem weggehouden en ziet ze van een afstandje een kleine schokkende beweging. ‘Dag pappa.’  De mannenbroeders vertrekken terstond, Margje en haar twee zoons achterlatend. ‘Er was aan dit gezin voor hen geen werk meer te doen.’

 

De eerste keer dat ik Knielen op een bed violen las, las ik het in een sneltreinvaart uit. Dat was in 2005, het boek lag nauwelijks een dag in de boekhandel. Jan Siebelink werd geprezen om zijn meesterwerk en won er terecht de AKO Literatuurprijs mee. Bij tweede lezing was de vaart er een beetje uit. Ik ben dan meer geneigd om dieper na te denken bij wat ik lees. In de interviews met Jan Siebelink in Trouw en Reformatorisch Dagblad wijst hij erop dat hij geen karikatuur heeft willen maken van de mannenbroeders. Dat geloof ik best, maar toch moest ik ook bij tweede lezing af en toe hard lachen om de beschrijvingen. Maar omdat Siebelink in de interviews keer op keer aangeeft dat Knielen op een bed violen gebaseerd is op de werkelijkheid en dat hij met Knielen op een bed violen de wereld wil laten weten dat zijn vader heeft geleefd, verstomt het lachen gaandeweg meer en meer. Wat een onmacht manifesteert zich in deze magistrale roman. Onmacht om te praten, te overleggen, weerstand te bieden. Onmacht ook om de tegenstelling tussen ‘het leven hier en nu’ en ‘het leven straks’ te overbruggen. Over wezenlijke zaken praat je niet met ongelovigen en zo blijft Hans Sievez hangen in zijn eigen leefwereldje. Want Hans is sinds zijn jeugd op de vlucht. Eerst voor zijn hardvochtige en strenggelovige vader, later voor iedereen die zijn eeuwig heil in de weg staat. Dat is de paradox van Knielen op een bed violen. De vader voor wie Hans op de vlucht sloeg, heeft hem via een omweg toch tot het laatste toe in zijn ban. Zijn geliefde Margje die hem bevrijdde uit de wrede klauwen van zijn vader, blijkt uiteindelijk een obstakel op weg naar het eeuwig heil. En daarom beschouw ik Knielen op een bed violen niet zozeer als catastrofaal (hoewel het verhaal genoeg rampspoed bevat) maar meer als paradoxaal. Eén grote gloedvol en weergaloos beschreven onbegrepen paradox.

‘Ze dacht: Later zie ik Hans terug. Ik zie hem terug.
Zonder twijfel.’

Heb je Knielen op een bed violen nog niet gelezen, dan is het nu de tijd.

Knielen op een bed violen / Jan Siebelink / De Bezige Bij / als paperback en als ebook

Koop dit boek

 

literatuur

One thought on “Recensie: Knielen op een bed violen, Jan Siebelink

Comments are closed.