Recensie: Het landschap, de mensen, Auke van der Woud

Bittere armoede. Het grootste deel van de bevolking van de woeste gronden had vaak te veel voedsel om te sterven en te weinig om te leven. We beschouwen in Het landschap, de mensen met cultuurhistoricus Auke van der Woud de negentiende eeuw en twintigste eeuw. Grote delen van ons land waren eerst niet gecultiveerd. Op de arme grond leverden boekweit en schapen wat schamele inkomsten. En toen ontwaakte Nederland plots. De woeste gronden, de onlanden, moesten in cultuur worden gebracht. Nederland moest mee in de vaart der volkeren. Daar werd de kiem gelegd voor het aanzien van ons huidige aangeharkte, lege en wat biodiversiteit betreft armoedige platteland.

Wie, zoals ik, met pijn in het hart door de intensief bewerkte polders op zoek gaat naar vogels, vraagt zich regelmatig af hoe het toch zover heeft kunnen komen. Zo ver dat er in de meeste weilanden geen vogel meer te bekennen valt. Zo ver dat insectenpopulaties in elkaar storten. Dat de bodem verzuurd is door de mest, de lucht vergeven van de verkeerde stikstof en het verontreinigde oppervlaktewater langzaam maar zeker doorsijpelt tot diep in de grond, waar het het grondwater vervuilt. Het antwoord luidt: het was de armoede.

Een beetje Hollandse patriot denkt met weemoed aan de Gouden Eeuw. De onmetelijke rijkdommen die toen werden vergaard, spreken tot de verbeelding en we vereenzelvigen ons er maar wat graag mee, tot onze politieke leiders aan toe. De grote meesters roepen wereldwijd altijd nog bewondering op. Om het geweten te sussen vergeet men gemakshalve dat een deel van die rijkdom over de rug van een ander deel van de wereldbevolking werd verdiend. En of onze vrome patriotten ook beseffen dat de economische werkelijkheid in provincies als Drenthe, Overijssel, Noord-Brabant, Limburg en Gelderland totaal anders was dan in de grachtengordel, dat betwijfel ik. Hoe dan ook, de Gouden Eeuw kende een eind. Nederland sukkelde langzaam in slaap. Pas halverwege de negentiende eeuw werd het Doornroosje aan de Noordzee weer wakker gekust. Het ontwaken ging langzaam. Ingenieurs als Staring begonnen hun utopieën te verkondigen. De woeste gronden, de onlanden waar schraalhans keukenmeester was, moesten in cultuur worden gebracht. Het land moest worden verbeterd. De productiviteit moest drastisch omhoog. En dat allemaal omdat de bevolking er nauwelijks iets te eten had. ‘Voedselgebrek, honger, was ‘s winters, als er nauwelijks of niets werd verdiend, een realiteit voor hen.’

Onafzienbare woeste gronden

Een voorstelling maken over de woeste gronden van weleer is haast onmogelijk. ‘Behalve in Zeeland waren ze vaak zo groot dat ze door de tijdgenoten ‘onafzienbaar’ of ‘onmetelijk’ werden genoemd. In het westen waren het de duinen langs de kust die onafzienbaar waren. Binnenlandse provincies bestonden vaak voor het grootste deel uit woeste gronden die zich vaak over tientallen vierkante kilometers uitstrekten. Het was overigens beslist géén natuur. De woeste gronden waren ontstaan door menselijk beheer. Doordat er duizenden schapen graasden. Heidevelden en zandverstuivingen waren het gevolg van die vorm van landbouw. Wie op die grond ging wonen was ‘als crimineel op de vlucht, of had een andere reden om zich buiten de geordende samenleving te plaatsen.’ Bij het lezen van de hoofdstukken over het landschap van destijds, en het zien van de oude foto’s raakte ik onder de indruk van de onmetelijke leegheid van het landschap. Paradijselijk haast, als die armoede er niet geweest zou zijn. Auke van der Woud beschrijft hoe deze woeste gronden in gebruik waren. Hoe de mensen woonden, werkten, aten. Hij doet als als de nauwkeurige cultuurhistoricus die hij is: met oog voor detail, verrassend en regelmatig gevestigde beelden onderuithalend. Zie de arbeider in de deur van zijn plaggenhut zitten. En hij behoort nog niet eens tot het armste deel van de bevolking!

recensie het landschap de mensen auke van der woud

Het verbeteren van de woeste gronden was niet altijd een economisch doel allereerst. Het was vaak ook een sociale kwestie. ‘Dat was hoe idealisten naar het buitenleven keken: dat zwaar landwerk verheffend is, zelfs als iemand ertoe wordt gedwongen. Ontginning van woeste gronden was in hun idee een middel, niet een doel.’ Werkeloze stadsbewoners – criminelen en hen die de grip op hun leven kwijt waren geraakt – werden tewerk gesteld op het platteland. In de geest van diezelfde idealisten waren platteland en natuur immers onbedorven. ‘Ze halen het goede in de mens naar boven, in de natuur worden de stadsmensen en wie van het rechte pad afwijkt gezuiverd.’ Ze werden ingezet om kanalen te graven, zwerfstenen op te ruimen of om hoogveen af te graven in het kader van de turfwinning.

Maar er was natuurlijk ook economische noodzaak. Die liet zich goed voelen tijdens de Eerste Wereldoorlog. Opeens kon Nederland nauwelijks meer voedsel importeren. En wat te denken van hout? En andere energievoorraden? Grote delen van Nederland werden daarop bebost en de grove den werd verkozen tot de beste keuze. Daarom zitten we op de zandgronden nu nog altijd opgezadeld met de grove den.

Ontwaken van natuurbewustzijn

We lezen in Het landschap, de mensen van Auke van der Woud ook over het vroegste ontwaken van het natuurbewustzijn. In de vroege twintigste eeuw werd al duidelijk dat de natuurwaarden achteruit kachelden. Jac. P. Thijsse werd de grote voorman van de natuurbescherming. Onder zijn leiding werd de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten opgericht, vanaf dat moment een factor van belang wat betreft de inrichting van ons landschap. Je ontdekt ook waarom Staatsbosbeheer destijds werd opgericht, en de Heidemaatschappij erbij.

Verbetering van het land

Met de mechanisatie van het platteland en de ‘verbetering van het land’ werd de waterhuishouding ook van toenemend belang. Al in de eerste decennia van de twintigste eeuw werden onderzoeken uitgevoerd onder boeren, onder andere wat voor hun bedrijf het ideale waterpeil was. Met name in het oostelijke deel van Nederland was er veel wateroverlast. Afwatering werd een aandachtspunt. Meanderende rivieren en beken werden gekanaliseerd. Landbouwgronden werden drooggelegd. De natuurwaarden gingen in toenemende vaart achteruit.

Het rijke landschap van weleer is niet meer. Hier en daar is nog een postzegel over van die eens zo rijke natuur. Althans, wat destijds nog natuur was. Want dat heb ik wel geleerd tijdens het lezen van dit boek: grote delen van de de woeste gronden waren geen natuur! Ze waren het resultaat van menselijk handelen. Het hoogveen, dat was denk ik wel natuur. Geen mens die in staat is om een plakkaat veen van meters hoog te laten groeien. Hoogveen ontstaat in vele duizenden jaren en de mensenhand vernietigt dat in een mum van tijd. Hier en daar is nog een postzegel hoogveen over. Beheerders doen er opgetogen over in hun marketingbrochures, maar het is bittere armoede in mijn ogen. Hetzelfde geldt voor de zandverstuivingen die zo angstvallig worden gekoesterd door Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer. Maar wie beseft dat dit niet de oorspronkelijke natuur was in ons land? De oorspronkelijke natuur bestond uit bossen, onafzienbare bossen, die in de loop van de Middeleeuwen compleet gekapt waren om het hout.

Dit inzicht maakt de discussie over ons huidige landschap ergens ook relatief. Niet dat ik de biologische armoede van ons platteland wil relativeren, maar wel de inrichting van ons landschap. Je moet wel héél ver terug in de geschiedenis om de oorspronkelijke natuur van ons land op het spoor te komen. Die herstellen, is onmogelijk. En niemand wil terug naar de erbarmelijke leefomstandigheden van de negentiende eeuw. Zo droom ik wel eens van de terugkeer van de ortolaan. Maar daarvoor moet je de kleinschalige woeste gronden van weleer herstellen. Met boekweitteelt en al. Dat is onmogelijk en niet reëel. Wij hebben het te doen met ons huidige landschap en moeten van daaruit vooruit denken. Nieuwe utopieën creëren, landbouw en biodiversiteit op een uitgekiende manier combineren, de vervuiling terug dringen, enzovoorts.

Maar zover gaat Auke van der Woud niet. Zijn boek Het landschap, de mensen beschrijft de geschiedenis van het Nederlandse landschap tussen 1850 en 1940. In 1850 was dat landschap nog woest, in 1940 was het ‘volgens ons eigen ideaal, alles netjes in laatjes en vakjes.’

Auke van der Woud staat bekend om de geweldige kronieken die hij schreef. Voor Een nieuwe Wereld ontving hij de Libris Geschiedenis Prijs. Zijn Koninkrijk vol sloppen en De nieuwe mens werden genomineerd voor de geschiedenisprijs. Hij schrijft met een nauwkeurige pen, verhaalt in een literaire stijl. Ik ben zeer onder de indruk van zijn nieuwe boek Het landschap, de mensen. Wie wil begrijpen hoe ons landschap is geworden tot wat het nu is, die moet dit boek beslist lezen.

Het landschap, de mensen / Auke van der Woud / Prometheus / hardcover