Recensie: Heer- en broodjagers, Siebren Siebenga

Een wat gewaagde boekbespreking vandaag: een boek over de jacht in de twintigste eeuw. Je zou zeggen, wat moet een natuurliefhebber nou weer met zo’n boek. Bespaar me die ellende van die dooie konijnen, hazen, fazanten, goudplevieren, pijlstaarten, watersnippen, houtsnippen en alles waar men in de vorige eeuw nog meer op schoot. En toch, hoewel ik nooit heb gejaagd voel ik me ergens toch een beetje verwant met de buitenissige figuren die met één schot liefst twee of drie eenden neerhaalden. En daarom vandaag een boekbespreking van Heer- en broodjagers van Siebren Siebenga.

 

 

 

Natuurbeschermers kijken vaak met nostalgie terug op de eerste helft van de vorige eeuw. Toen wemelde het in de Hollandse polders nog van de grutto’s, kieviten, patrijzen, watersnippen, slobeenden, zomertalingen en wat niet meer. Diezelfde nostalgie kwam ik tegen in het boek Heer- en broodjagers van Siebren Siebenga. Vroeger was alles beter en in elk geval kon je vroeger in ieder geval veel meer oogsten in de Hollandse polders dan heden ten dage. De reden? De revolutionaire veranderingen in de landbouw. Ruilverkaveling en intensivering van de landbouw zijn funest voor het gevarieerde leven in de polders. En dat treft zowel de natuurliefhebber als de jager. Nu zullen de jagers direct zeggen dat zij ook natuurliefhebber zijn. Daar kan ik wel een beetje inkomen, maar toch zie ik natuurliefhebbers vooral als lieden die de natuur willen beschermen. Jagers zullen vast genieten van het uitzicht en de mooie waarnemingen, maar willen aan het eind van de dag toch ook een gevuld tableau, oftewel een groot aantal dierenlijken die wachten op de slacht. Waarbij ik erken dat de jacht soms een noodzakelijk kwaad is. Niet in het minst omdat mensen een funeste invloed uitoefenen. Neem nu de dwaze ideeën van Frans Vera die meent dat je elk natuurgebied moet volgooien met groot wild. Edelherten in de Oostvaardersplassen die elke winter wegkwijnen. Damherten in de duinen in Noord-Holland die een enorme verwoesting aanrichten ten koste van planten en bijzondere insecten. Grauwe ganzen in de raaigraspolders die bij Kinderdijk het riet van de purperreigers wegvreten. En als het wild bejaagd moet worden, roept men ach en wee. Maar dat is in het heden. Heer- en broodjagers blikt terug op het rijke verleden.




Het klinkt misschien vreemd, maar ergens voel ik me verwant met de markante en soms buitenissige figuren van wie de jagerstalenten breed worden uitgemeten in Heer- en broodjagers. Ik heb immers zelf jarenlang gevist. In de kreek van mijn vader op paling. En later vanaf de zeedijken op platvis, paling en zeebaars. En ik weet zeker dat de landarbeiders in mijn voorgeslacht er niet tegen opzagen om een fazant of haas te slachten.

Goed, maar toch. In mijn beleving is het vangen van een zeebaars altijd iets anders geweest dan het schieten van een pijlstaart of wintertaling. Gelukkig is die laatste activiteit allang verboden. En ook het vissen op zeebaars door sportvissers is aan banden gelegd. De publieke opinie is niet helemaal op de hand van de jagers, en dan druk ik me zachtjes uit. Je komt in Heer- en broodjagers soms uitspraken tegen van jagers of afstammelingen van befaamde jagers waar je de wenkbrauwen bij ophaalt. De grootste jachtmythe vind ik wel de aanname dat de jacht een soort ten goede komt. Jagers zouden de oude en zieke exemplaren wegschieten waardoor de soort verbetert en zich sneller voortplant. Nou ja, dat lijkt me pertinente onzin. Tegen een wolk hagel kan zelfs en het snelste haas of de snelste pijlstaart niet op. In die zin ademt dit boek volop de sfeer van: vroeger was alles beter en kon er veel meer. En dat er meer wild was, dat was destijds voor een deel te danken aan de jacht. Dat kom ik in mijn eigen familie ook wel tegen. Ooms die zestig jaar geleden overal de Oosterschelde op gingen om pieren te steken, lijnen te zetten, alikruiken te rapen, et cetera. Emmers vol bot en schol vingen en nu niets meer. Je mag nu ook niets meer, is de grote jammerklacht. Tja, tijden veranderen. Als je ziet hoe enorm de natuurwaarden achteruit zijn gegaan. En dat geldt zowel voor de Oosterschelde als voor de polders.

Terug naar Heer- en broodjagers. Natuurliefhebbers hebben er mooie gebieden aan overgehouden. Gebieden als de Hoge Veluwe, Het Loo, de Veluwezoom en het Deelerwoud waren ooit jachtdomeinen. De adellijke elite slaagde erin hun bezittingen in stand te houden en de robuuste terreinen te bewaren voor het nageslacht. Het zijn inmiddels befaamde natuurgebieden. Dat was voor mij nieuw om te lezen. Al op de eerste bladzijde trouwens. Natuurgebieden die we te danken hebben aan jagers.

In Heer- en broodjagers vind je de verhalen van markante jagers in de twintigste eeuw. Het accent ligt op Noord-Nederland, maar ook jagers in andere delen van Nederland, zoals de Biesbosch en Zeeland, worden aan je voorgesteld. Stuk voor stuk waren het echte buitenmensen. Ze hadden een stukje land, molken koeien en hielden zich intensief bezig met jagen, paling vissen, mollen vangen, bijen houden, kievitseieren zoeken, lijsters strikken en wilsterflappen. Jan Eisses (1892-1960) was er zo eentje. Het is ergens wel te begrijpen dat hij zich bezig hield met de jacht. Zijn inkomen was karig. En het wild dat toen nog in grote getale in de polders voorkwam, wachtte simpelweg om geschoten te worden en verkocht aan de poelier. In 1925 verkocht Jan Eisses bijvoorbeeld voor € 93,25 aan paling. In 1929 schoot hij 48 patrijzen en 17 eenden. Zijn patronen vulde hij zelf om geld te besparen. En zo schoot Eisses in najaar en winter zijn inkomen bij elkaar.

Tal van jagers worden aan je voorgesteld. De meesten schoten op eenden, hazen, konijnen. Anders zetten strikken voor lijsters. Weer anderen hadden het op goudplevieren voorzien. Sommige jagers op goudplevieren zijn nog altijd actief met hun netten, maar dan in het kader van het ringen van vogels. Dat vind ik een heel nobele voortzetting van de jacht. Maar ook jagers op bunzings, mollen, robben en groot wild worden aan je voorgesteld. En aangezien het terug blikken zijn op het verleden is Heer- en broodjagers een heerlijk nostalgisch boek. Vroeger, toen was alles beter en kon je tenminste nog een haas schieten, op paling vissen of in een winter honderden eenden schieten.

Heb je het niet zo op dooie vogels, dan denk ik dat je Heer- en broodjagers met een zekere weerzin zult lezen. Toch laat ook dit boek zien hoe groot de kaalslag is in de Hollandse polders. Er kon toen ook zo veel worden geoogst, omdat er simpelweg enorm veel vogels en ander wild in de polders leefden. De biodiversiteit was ontzettend rijk. Honderden eenden per jager is veel, maar dat is vooral in de context van onze tijd veel. Als ik de verhalen in Heer- en broodjagers mag geloven, zaten de Hollandse polders in de eerste helft van de twintigste eeuw tjokvol eenden en snippen. Kom daar nu eens om!

Een gewaagd boek voor een natuurblog. Toch heb ik de verhalen over helden van weleer met zeker plezier geleden. Het deed me denken aan het boek  over de landarbeiders van Kees Slagers. Verhalen van kleine luiden van weleer die vaak alle zeilen bij moesten zetten om in leven te blijven. Het karige inkomen werd aangevuld met inkomsten uit de jacht, soms ook illegaal. Het moeten natuurkenners van formaat zijn geweest.

Heer- en broodjagers / Siebren Siebenga / Bornmeer / hardcover