Recensie: En de aarde bracht voort, Gijsbert van den Brink

Of de evolutietheorie en het christelijk geloof samen kunnen gaan, wordt door zowel evolutionisten als gelovigen vaak fel betwist. Genesis en ‘survival of the fittest’ sluiten elkaar behoorlijk uit, is de overtuiging van velen. En dat knelt, want je zult maar én orthodox christen zijn én ervan overtuigd zijn dat de evolutietheorie even waar is als de wet van de zwaartekracht. Theoloog Gijsbert van den Brink pakt de handschoen op en gaat in zijn boek En de aarde bracht voort na of en hoe orthodox geloven en evolutie kunnen samengaan.

 

 

 

 

 

Maar allereerst over het perspectief van waaruit ik En de aarde bracht voort gelezen heb. Zoals ik in een eerdere recensie al aangaf, wortel ook ik aardig in de orthodoxe scene. En ben ik behoorlijk geïnteresseerd in alles wat met de natuur te maken heeft. En tevens in theologie. Niet voor niets dat ik voor een uitgeverij van theologie werkzaam ben. Ik kan me nog vaag herinneren hoe ik in de openbare bibliotheek van Tholen (of all places) Darwin’s fundamentele boek Het ontstaan van soorten las. Inhoudelijk weet ik van die leesexercitie niets meer af. Hoog tijd om het weer eens tot me te nemen. Jaren later kocht ik het boek De zondvloed van ene A.M. Rehwinkel. Een overtuigd creationist voor wie Darwin zo ongeveer de grote vijand was. Ook van de inhoud van dit boek kan ik me maar bar weinig meer herinneren, behalve een plaatje van een fossiele boomstam die dwars door een paar aardlagen heen stak. Ter bewijs uiteraard dat de hele fossiele bende het gevolg was van de wereldwijde zondvloed ten tijde van Noach en de zijnen en niet het resultaat van miljoenen jaren evolutie.




Nog weer jaren later groef ik met mijn kinderen massa’s fossiele haaientanden op bij Cadzand en verzamelde ik fossielen op het strand van de nieuwe Maasvlakte. Schelpen met een leeftijd van enkele honderdduizenden jaren. Een grote mammoetkies, een gehoorbeentje van een ouwe neushoorn en een wervel van een spitssnuitdolfijn vormen de hoogtepunt van mijn collectie. Daar allemaal terecht gekomen tijdens ijstijden die toch echt voor de tijd van Genesis de Noordzee droog legden. Hoe ik de schijnbare tegenstelling tussen Bijbel en prehistorie dan wel evolutie oplos(te)? Wel, kort en bondig: we hebben wat mij betreft te maken met twee verschillende talen: die van het geloof en die van de wetenschap. Gijsbert van den Brink benoemt deze positie ook ergens in En de aarde bracht voort, zij het summier. Deze positie heft overigens de tegenstelling niet helemaal op, want het orthodoxe christendom waar ik mij ook toe reken, heeft het christelijk geloof altijd laten bedden in de geschiedenis. En dat geldt zeker voor de Bijbel. Dat is geen boek waarvan de inhoud zogezegd in de blauwe lucht zweeft. Nee, het wortelt aantoonbaar in de geschiedenis en waar het niet empirisch aantoonbaar is, daar moet die empirische werkelijkheid geframed worden naar wat de Bijbel zegt. En dat heeft in de westerse geschiedenis soms tot potsierlijke taferelen geleid. Denk alleen maar aan Copernicus en zijn ontdekking dat de aarde om de zon draait, en niet andersom. Maarten Luther, de grote Reformator, verwierp zijn conclusies evenals jaren later Voetius. En Galileo Galilei, de discipel van Copernicus, kwam in een ernstig conflict met de Katholieke Kerk.

Overigens liet ik me graag inspireren door het magistrale theologische werk van Bram van de Beek, Een lichtkring om het kruis. Daarin komt ook de schepping ter sprake. Van de Beek, gepromoveerd in de biologie én theologie, is heel helder: hoe de wereld is ontstaan is voor de theologie niet echt van belang. Het is wél interessant, maar meer ook niet. De schepping moet gezien worden vanuit het perspectief van Jezus Christus en als de schepping door evolutie is geleid, dan was Christus daar dus ook op betrokken, want Hij is van voor de grondlegging van de wereld. Zo ongeveer. Dat laat onverlet dat ik me evenals de Veluwse boer in En de aarde bracht voort lange tijd enigszins ongemakkelijk heb gevoeld bij het feit dat ik zou afstammen van de apen. Een ietwat ongenuanceerd gevoel en behoorlijk intuïtief, maar niettemin een reëel gevoel dat leeft bij vele gelovigen. Na twee weken vakantie zonder me te scheren zie je sommige mensen in het ietwat mondaine Italiaanse stadje Orta San Giulio weliswaar denken dat ze een aap met een hoed op zien wandelen, maar ik meen toch echt volledig mens te zijn en geschapen. Ik moest dan ook wel een beetje grinniken toen ik las dat Bram van de Beek stelt dat we de tweenaturenleer [aangaande Jezus] alleen maar serieus nemen wanneer ‘we niet alleen zeggen dat Jezus Christus God uit God en Licht uit Licht is, maar ook dat hij “van de apen afstamt”‘.

En nu dus En de aarde bracht voort van Gijbert van den Brink. Zijn eerste grote werk na de Christelijke dogmatiek die hij samen met prof. dr. Kees van der Kooi publiceerde. Het heeft enige urgentie want: er haken mensen van de kerk af, omdat ze geloof en evolutietheorie niet kunnen combineren. Of nog erger: jonge mensen stellen hier vragen over en worden door predikant of ouderling met een kluitje in het riet gestuurd of als lastposten gezien. Geen wonder dat die jonge mensen dan afhaken. Ik ken zelf een paar van die voorbeelden. Aan de andere kant belemmert de denkbeeldige tegenstelling mensen ook om aan te haken bij de kerk. Zij voelen zich aangesproken door Bijbel en geloof, maar kunnen de stap om de evolutietheorie af te zweren niet maken. Overigens is het in de praktijk niet alleen de evolutietheorie die een struikelblok vormt. Het is vaak in algemenere zin de tegenstelling tussen wetenschap en geloof. Er zijn wel meer zaken in de Bijbel en het orthodoxe geloof die vragen losmaken.

Maar klopt het dat er sprake is van een tegenstelling tussen evolutie en geloof? Dat is de centrale vraag in En de aarde bracht voort. Gijsbert van den Brink, zelf overtuigd geraakt van de validiteit van de evolutietheorie waarvan Charles Darwin de ontdekker was, meent dat er geen tegenstelling hoeft te zijn. En hij gaat grondig te werk om dat aan te tonen. Hij maakt zich er op zijn zoektocht niet makkelijk van af. Milde theorieën van biologen, theologen en andere deskundigen haalt hij aan, maar telkens kiest hij ervoor om de orthodoxe theologie te confronteren met de evolutietheorie in de meest uitgesproken vorm. Dus geen onduidelijke tussenposities, nee, het hele verhaal van de evolutie en niets ervan af. Maar wel vanuit het perspectief van de orthodoxe theologie, dus ook hier geen min of meer vrijzinnige posities. Ook dat zou te makkelijk zijn en bovendien: Van den Brink staat in de traditie van het orthodoxe christendom en geeft aan daar met hart en ziel aan verbonden te zijn. Een uitdagende positie dus.

Nadat Gijsbert van de Brink in de inleidende hoofdstukken heeft uitgelegd waarom evolutie in de orthodoxe scene gevoelig ligt en hoe toonaangevende theologen zich in het verleden hebben uitgesproken over evolutie, gaat hij in op een aantal prangende vraagstukken. Want evolutie en orthodox geloof laten zich niet zomaar even in elkaar smelten. Acceptatie van de evolutietheorie heeft (mogelijk) gevolgen voor centrale theologische thema’s als de uitleg van de Bijbel, het denken over het lijden en de goedheid van God, de theologische antropologie, Gods verbond met mensen en natuurlijk de Goddelijke voorzienigheid. Tot slot heeft de evolutietheorie mensen in het verleden behoorlijk uitgedaagd om die ook toe te passen in cultuur en samenleving. Met als triest dieptepunt de eugenetica die tot een climax kwam in nazi-Duitsland. Onderschat de invloed van deze duivelse uitwerking niet. Hoe kun je als christen de evolutietheorie omarmen in de wetenschap dat gehandicapten, zigeuners en joden massaal zijn vernietigd door toepassing van die theorie in de sociale orde? Zo vreemd is die aversie onder gelovigen niet, zou ik willen inbrengen.

Terecht geeft Gijsbert van den Brink dat de evolutietheorie van Charles Darwin zo ver niet strekt. Gelukkig maar. Die beperkt zich tot het geven van een verklaring van het ontstaan van soorten door evolutie. En kan God daar een rol in hebben gespeeld en nog altijd spelen? ‘Niets in het (neo)darwiniaanse scenario sluit die mogelijkheid uit. Dan is het echter ook niet uitgesloten dat een dergelijke alwetende en machtige God het geheel van alle oorzaak-en-gevolgrelaties ook gewild heeft.’ Van den Brink geeft even verderop aan dat op die wijze gedacht het prima mogelijk is dat toevalsprocessen in een intentioneel geheel ingekaderd staan en ‘dat evolutionaire processen dus in principe in dienst van Gods voorzienigheid kunnen staan.’ Zelfs een doorgewinterde atheïst als Herman Philipse erkent het goed recht van deze redenering. Ik moest in dit verband denken aan de wet van de zwaartekracht. Die ‘doet’ het prima zonder dat je God erbij nodig hebt. Desondanks zullen veel gelovigen van mening zijn dat God de bedenker is van de wet van de zwaartekracht om die wet vervolgens zijn werk te laten doen.

Ik vind het bijzonder knap hoe Van den Brink centrale thema’s in de orthodoxe theologie weet te verbinden met de evolutietheorie zonder dat hij afbreuk doet aan de orthodoxe theologie. Hoewel de ruimte op een internetpagina als deze vrijwel oneindig is, voert het te ver om de denkstappen die Van den Brink maakt, samen te vatten. Die denkstappen moet je zelf meemaken, vind ik. Het knappe van En de aarde bracht voort is namelijk ook dat het didactisch gezien een buitengewoon sterk boek is. Plus dat het nergens polemisch wordt. Van den Brink gaat op respectvolle wijze in op andersdenkenden, of ze nu creationist zijn of atheïst.

Heb ik dan geen vragen naar aanleiding van En de aarde bracht voort? Toch wel. Maar dat zijn ook vragen aan mezelf. Als je God in de rol van ‘schepper en geleider van evolutionaire processen’ introduceert, loop je dan niet het risico dat het orthodoxe geloof gereduceerd wordt tot imaginaire verbeelding, zoals bijvoorbeeld Yuval Noah Harari doet in zijn boek Sapiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid. Harari beschouwt overigens heel veel als imaginaire verbeelding. Denk aan politiek, waarden, normen of zoiets als de grens tussen Nederland en België. Van den Brink gaat in het laatste hoofdstuk weliswaar in op deze vraag, maar als ik de parallel weer trek met de wet van de zwaartekracht, dan is mijn conclusie al heel snel: daar hebben we God dus niet meer bij nodig. Iets van het ongemakkelijke gevoel dat Van den Brink ergens benoemt zodra evolutie en geloof worden geïntegreerd, herken ik wel bij mezelf. Gaan mijn religieuze opvattingen niet een beetje ‘zweven’? Of moeten we stellen dat het christelijk geloof toch allereerst en allermeest een geloof is dat je moet ervaren en dat je slechts vanuit die ervaring kunt spreken over God als schepper, ook als je overtuigd bent van de validiteit van de evolutietheorie? En dat Bijbel en christelijk geloof weliswaar wortelen in de geschiedenis, maar dat die wortels niet altijd even helder zijn?

Al lezende kwam ook een vraag aan creationisten in me op. Van den Brink stelt mijns inziens terecht dat een Hof van Eden waarin alles subliem was, oftewel: in een staat van perfectie, nooit heeft bestaan. Terwijl de zogenaamde ‘staat der rechtheid’ een van de pilaren is van de orthodoxe theologie. In het paradijs bestond de dood nog niet. Maar beweert de schrijver van Genesis op de keper beschouwd eigenlijk wel dat de Hof van Eden een perfecte tuin was? Dat kun je mijns inziens alleen volhouden wanneer je meent dat Adam en Eva en alle dieren leefden van de lucht. Maar aten ze planten (en dat deden ze volgens de tekst), dan impliceert alleen dat al de aanwezigheid van de dood. Want ook planten zijn levende wezens (en buitengewoon complexe wezens zo las ik in Briljant groen van de biologen Allessandra Viola en Stefano Mancuso). Wie bladeren of vruchten eet, doodt levende cellen. En laat littekens achter op een organisme. En ervoer Adam niet een groot gemis, toen er nog geen Eva was en hij de dieren twee aan twee langs zag komen? Om over dat misselijke serpent maar niet te spreken. Kortom: in de Hof van Eden blijkt bij nadere lezing de imperfectie al aanwezig. Is de klassieke lezing van de eerste hoofdstukken van de Bijbel niet al te optimistisch (geweest)? En kun je zo’n interpretatie wel leidend laten zijn bij het afwijzen van de evolutietheorie?

Maar het belangrijkste vind ik de conclusie die Van den Brink trekt in En de aarde bracht voort. En die wil ik accentueren: ‘Christenen hoeven zich niet op grond van hun geloof tegen de neodarwiniaanse evolutietheorie te verzetten. En niet-christenen hoeven niet te denken dat ze om christen te kunnen worden iets wat voor hen zo evident is zouden moeten afzweren.’

En de aarde bracht voort is verplichte kost voor iedereen die is geïnteresseerd in de samenhang tussen geloof en wetenschap. Ook wie in de kerk mensen begeleidt, zou dit boek mijns inziens moeten lezen. Opdat (jonge) mensen niet onnodig afhaken, en het aanhaken van nieuwe gelovigen niet langer onnodig belemmerd wordt.

En de aarde bracht voort / Gijsbert van den Brink / Uitgeverij Boekencentrum / als paperback en als eboek

 

One thought on “Recensie: En de aarde bracht voort, Gijsbert van den Brink

Comments are closed.