Recensie De poel, Pauline de Bok

Van Pauline de Bok besprak ik een paar jaar geleden het boek De buit, een boek over een jaar lang jagen in Oost-Duitsland. Uit alles bleek dat De Bok een groot natuurliefhebber is. En nu ligt De poel voor me, compleet stukgelezen. Een iets omvangrijker boek, maar qua stijl doet het weer denken aan haar vorige boek. Wat ik destijds schreef, kan ik nu ook weer schrijven: ze mijmert over de relatie tussen mens en dier, over de sterfelijkheid waarmee ook wij behept zijn en over de rol van mensen in de natuur.

In De buit verbleef De Bok een jaar lang in een omgebouwde koeienstal. En voor haar boek De poel deed ze hetzelfde. Ze trekt zich terug op haar erf en volgt de ontwikkelingen in de natuur. Heel veel reden tot optimisme heeft ze niet. De waterpoel vlak voor de stal valt droog. Het paartje visarenden een eind verderop verlaat hun nest. De letterzetter belaagt een naast gelegen bosperceel met als ultiem gevolg dat het hele perceel tegen de vlakte gaat. En tot overmaat van ramp heeft de graanloopkever het belendende perceel bezaaid met zijn larven. Door de forse uitbraak was het verbouwen van graan onmogelijk geworden en bleef er kennelijk maar één optie over: maïs verbouwen. De Bok hoorde een klein jammeren in de stem van de landbouwster en zelf werd ze er ook niet vrolijker van. De graanloopkever was de zoveelste plaag die haar omgeving teisterde. Let wel: ik ben nu al bijna aan het einde van haar boek beland, in het deel waarin COVID-19 de wereld beheerst. De Bok verblijft als een kluizenaar in haar koeienstal, bang om door de Duitse overheid uitgewezen te worden naar Nederland.

Zorgvuldig bestudeert De Bok de planten en dieren in de directe omgeving van de koeienstal. Ze slaat de boerenzwaluwen in de stal gade. Ze volgt een groep damherten op hun tocht door de omgeving. Een damhert dat gewei en poot heeft verstrikt in een stuk touw houdt de gemoederen bezig. Samen met wat jagers gaan ze het dier achterna, maar nergens lees ik dat ze het weten te bevrijden door hetzij een genadeschot hetzij het verwijderen van het touw. Een kwikstaartje kwettert en wipt op de rand van de gevelopening. Een kramsvogel neemt een bad in een waterplas. Putters golven uit de essen bij het oostweitje. Een ooievaar plukt de ene na de andere hazelworm uit gras en takkenbos. Kraanvogels versieren elkaar. En hier geen nachtegalen, maar Noordse nachtegalen, hoewel… ook deze vogelsoort lijkt last te hebben van de klimaatverandering. Zijn aanwezigheid is niet vanzelfsprekend.

recensie de poel pauline de bok

Knap lastig heeft De Bok het met de wasbeertjes in haar omgeving. Deze exoten houden huis in de natuur om de koeienstal. Ze vreten alles wat voor hen loopt en kruipt. Een spoor van vernieling die je bij oppervlakkige beschouwing niet opvalt. En daarom zet ze een wasberenval. Na talloze pogingen om een wasbeer te vangen, heeft ze er eindelijk één. Ze moet hem doden, maar nu blijkt de jager toch een hart te hebben. Een zoogdier simpelweg afknallen in een val is bepaald niet wat een jager voorstaat. En toch, het plaagdier moet dood en overleeft de pagina niet. Alle navolgende pogingen om een iets te dik uitgevallen wasbeer te vangen resulteren slechts in de vangst van één muis en één vos. Beide overleven de gevangenschap gedurende één nacht, de wasbeer echter wordt geslacht en ingevroren om later te worden verorberd. Hoe ze weet dat er vossen, wasberen, reeën, damherten, muizen en wilde zwijnen op haar erf rond scharrelen? Lang leve de vooruitgang. In dit digitale tijdperk beleven we de natuur op digitale wijze en zo ook De Bok door het ophangen van cameravallen. In het denken van De Bok is dat overigens niet louter vooruitgang. Ze kan geen actie bedenken, of er borrelt wel een tegenwerping op in haar gedachten op. Zo is ze blij met de wederkomst van de boerenzwaluwen, maar als een paartje een nest begint te bouwen op een niet al te gunstige plek, aarzelt De Bok wat te doen. De eerste aanzet van het nest weghalen? Of vaker dan nodig bij het nest gaan staan zodat de zwaluwen uit zichzelf weggaan?

Of neem nu de mijmeringen over de aanschaf van regentonnen. Een plastic regenton is toch eigenlijk not done, maar je voelt hem al aankomen: de aanschaf ervan is onvermijdelijk. Of neem de groep verwilderde schapen die in de omgeving rond scharrelt. Ze schieten mag niet, want schapen zijn geen wild. Maar toch krijgt ze visioenen van een schaap aan het spit. En dan komt de gedachte in haar op dat ze de schapen toch liever zou willen vangen, ze tam maken en een tijdje voor hen zorgen.

Ergens schrijft De Bok dat ze moe en moedeloos wordt van haar tollende gedachten. ‘Altijd dat praten, ook al die weken en maanden dat ik hier alleen ben en in mezelf tegen mezelf praat.’ Voor mijmeren is voldoende gelegenheid als je alleen in een koeienstal verblijft. Als op een dag een jonge boerenzwaluw zijn doodsstrijd op de vloer van de stal voert, ziet ze het met afschuw aan. Ook het schuldgevoel is niet ver weg, en terecht, want de zwaluw week voor De Bok uit en vloog toen pardoes tegen een ijzeren deurpost. ‘Wat nu? Altijd weer opnieuw die vraag: moet ik het zwaluwtje nu doodmaken?’ Opnieuw de vragen, het heen-en-weer denken dat De Bok zo eigen is. Uiteindelijk is haar antwoord: ‘Waarom zou ik zijn leven met nog meer geweld beëindigen? Is dat goed, is dat flink, is dat mededogend, dierlievend? Of is het morele gewichtdoenerij en getuigt het van een steile afwijzing van lijden?‘ En daarmee ben je dan meteen bij een thema beland dat tot de moeilijkste thema’s van de filosofie en theologie wordt beschouwd.

Het zijn dit soort van mijmeringen en tegenstrijdigheiden die ervoor zorgden dat ik het boek wekenlang met me meedroeg. Ik las een paar bladzijden, en had stof genoeg om zelf na te denken. Nee, De poel is geen pageturner dat ik als een razende verslond. Het was voor mij veel meer een boek waarin ik even tastend en slingerend als de auteur zelve de springende en tollende gedachten tot me nam.

Toegegeven: het mensbeeld van De Bok is niet altijd even positief. Zou het nog goed komen met onze aarde, met de natuur? ‘We blijven de planeet uitputten, we blijven leven ten koste van dieren, planten, van toekomstige generaties…‘ Dan volgt al snel het existentiële antwoord: ‘Ik weet allang dat mijn bestaan er niet toe doet, als sinds ik een boek schreef over de dood. Maar omdat ik er nu eenmaal ben, blijf ik streven, en of dat nu bijdraagt een een toekomst voor de mens en het leven op aarde of juist schadelijk is, die vraag blijft open.

Zoals ik hierboven al aangaf, Pauline de Bok blijkt een natuurliefhebber in hart en nieren. De beschrijvingen van dier en plant en mens zijn ragfijn en opmerkelijk. Wandel met haar mee langs de akkers, door de bossen, over bospaden of door de poel, het water peilend op blote voeten. Want wat ik in mijn beschrijving onvoldoende heb beschreven is dat de poel het hart is van dit boek, en dat kan niet verbazen gezien de titel. De poel die droog valt, maar als bij verrassing toch ook weer volloopt als het een tijdlang flink regent. Om meteen daarna weer uit te drogen. De poel, onderhavig aan klimaatverandering zoals al het leven in en rond de koeienstal. Wandel mee met De Bok, door het boerenland, de Duitse natuur en in haar hoofd boordevol tollende gedachten. Ik heb er gedurende een aantal weken van genoten. Een boek dat je dwingt na te denken over de plaats van de mens in de natuur, over de gevolgen van ons doen en laten vanuit een kwetsbaar perspectief.

De poel / Pauline de Bok / Atlas-Contact / als paperback en als e-book

Verwelkom nieuw leven in jouw tuin dit broedseizoen!