Recensie: De meeste mensen deugen, Rutger Bregman

Het schrijven van deze recensie is een hachelijke zaak. Rutger Bregman bracht met zijn boek De meeste mensen deugen een wereldwijde bestseller op de markt. Velen vallen voor de boodschap van zijn boek waarin hij afrekent met het mensbeeld dat uitgaat van het negatieve in de mens. In zijn ogen is het voor individu en samenleving juist beter om uit te gaan van het goede in de mens. En daar is alle aanleiding toe, want, zo laat zijn uitgebreide onderzoek zien: de meeste mensen deugen. De meesten van ons zijn liever solidair dan egoïst. Laten overheid, bedrijven en allerhande andere organisaties dus maar uitgaan van het goede in de mens. Daar teken ik direct voor, en toch, ik las het boek met gemengde gevoelens. Is alles wat Bregman schrijft wel zo evident als dat hij voor doet? Een waarschuwing vooraf: ik werd zelf ook een beetje moe van dit schrijfsel.

Het Pygmalion-effect

Laat ik Bregman volgen en beginnen met wat me het meeste aansprak in dit boek. Het hoofdstuk dat mij het meest trof was het hoofdstuk over het Pygmalion-effect. Onze verwachtingen blijken magische krachten te hebben. Verwachten wij dat leerlingen kansloos zijn? Dan zullen ze ook kansloos zijn. Verwachten wij dat leerlingen grote vorderingen kunnen maken? Dan zullen ze die over het algemeen ook maken. En waarom? Omdat we leerlingen nu eenmaal anders benaderen als we positieve verwachtingen van hen hebben dan wanneer we ze kansloos achten. We zullen de kansrijke leerlingen bewust en onbewust meer aandacht schenken, complimentjes geven en hoopvolle blikken toewerpen. Leerlingen waarvan we geen of nauwelijks vooruitgang verwachten, ontvangen veel minder positieve prikkels en blijven achter in hun ontwikkeling. Ene Bob Rosenthal ontdekte dat nadat hij onderzoek had gedaan met ratten. De ratten van studenten die dachten dat hun ratten slimmer en sneller zouden zijn, bleken daadwerkelijk slimmer en sneller, terwijl deze ratten in werkelijk in niets slimmer of sneller waren dan hun soortgenoten. Wat bleek? De ‘slimme’ ratten werden anders behandeld, lees: warmer, zachter en verwachtingsvoller aangeraakt. Wij mensen zijn net ratten naar blijkt.

Of je dit Pygmalion-effect één op één op een individu mag projecteren weet ik niet, maar ik herken er heel veel in. Had je 35 jaar geleden voorspeld dat ik groot plezier zou beleven aan het geven van een lezing over zeevogels, dan had ik naar mijn voorhoofd gewezen. Niet zozeer vanwege de zeevogels, maar wel vanwege het houden van de lezing. Zette je me voor de klas om een spreekbeurt te geven, dan veranderde mijn tong in een droge lap leer en dwaalden mijn gedachten in paniek overal naar toe, maar niet naar de juiste woorden, laat staan naar de juiste zinnen. Het moet pas op mijn 23e zijn geweest dat een medestudent op de HEAO (die ik tot de groep irritante drukteschoppers beschouwde, over het Pygmalion-effect gesproken) mijn angst voor het houden van een toespraak in één zin verdreef met de woorden: ‘Je kunt dat, dat heb ik gezien’. Het resultaat was een presentatie op het hoofdkantoor van Fokker waar ik nog altijd met veel genoegen en trots op terug kijk. Vertrouwen als uitgangspunt heeft positieve gevolgen.

Totale chaos

Terug naar Bregman en zijn boek De meeste mensen deugen. In de proloog rekent hij al af met het beeld dat mensen in noodsituaties een aantal treden op de ladder van de beschaving zullen dalen. Paniek en geweld zouden in noodsituaties om zich heen grijpen en onze ware aard openbaren, in mijn woorden: die van het beest in ons. Zo dachten de beleidsmakers toen de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog hun bommen op Londen lieten regenen. De stad zou volgens de Britse generaals afglijden in totale chaos. Niets was minder waar. De meeste overlevenden bleven kalm en hielpen wie geholpen moest worden. En dat dat niet aan de Britse aard lag, bewees hetzelfde beeld aan de overkant van de Noordzee. In Dresden, dat op zijn minst zo zwaar gebombardeerd werd door de Geallieerden. Ook daar het beeld van burgers die kalm bleven en elkaar bijstonden na afloop van de zware bombardementen. Gedragswetenschappers waren duidelijk in hun oordeel nadat ze hun onderzoek hadden verricht: de bombardementen waren een fiasco geweest. Sterker nog: ze hadden de Duitse oorlogseconomie slechts versterkt.

Negatief mensbeeld als nocebo

De mens als beest. De mens als zondaar. De mens als agressief wezen. Een negatief mensbeeld dat werkt als een nocebo: als we geloven dat de meeste mensen niet deugen, gaan we elkaar zo behandelen. Helaas is volgens Bregmens het negatieve mensbeeld een constante factor die allerhande Westerse denkers de eeuwen door verenigt. Machiavelli, Calvijn, Hobbes, Nietzsche, Freud en de Amerikaanse Founding Fathers: ze gingen allemaal uit van een negatief mensbeeld. ‘We stammen af van generaties aan moordenaars, wier liefde voor moord in hun bloed zat,’ schijnt Sigmund Freud te hebben geschreven. Dat liegt er voorwaar niet om! Het is de missie van Bregman om met zijn boek een nieuw mensbeeld te introduceren. Hij gaat op zoek naar een nieuw realisme, en doet dat met verve. Ik heb hierboven al een experiment aangehaald dat hij uitgebreid beschrijft. Wie uitgaat van het goede in de mens en van zijn of haar talenten, die zal over het algemeen ook het goede oogsten.

recensie de meeste mensen deugen rutger bregman

Psychologische en sociologische experimenten

Op heroïsche wijze worstelt Bergman zich door talloze beruchte psychologische en sociologische experimenten uit het verleden. Experimenten die nog altijd als lichtend voorbeeld worden gebruikt in het wetenschappelijk onderwijs zo kreeg ik van dochterlief te horen. Wie kent bijvoorbeeld het Stanfort Prison Experiment niet? Onschuldige studenten worden bij wijze van experiment opgepakt en ondergaan vernederingen in de gevangenis. Andere studenten treden juist op als bewakers. Al na een paar dagen loopt het experiment helemaal uit de hand. De bewakers genieten van hun macht en de gevangenen gaan ten onder aan slaapgebrek en vernedering. Zelfs de leider van het onderzoek, psycholoog Philip Zombardo gaat helemaal op in zijn rol als gevangenisdirecteur. De conclusie achteraf? Brave studenten veranderen razendsnel in monsters. Niet omdat ze slecht waren, maar omdat ze in een slechte situatie waren beland. Iedereen is tot gruwelijke dingen in staat. Andere, even grove experimenten, leken dat beeld te bevestigen. Maar wat blijkt volgens Bregman? Keer op keer was er bij deze experimenten manipulatie in het spel. De hoofdrolspelers in de experimenten (de studenten) bleken toneelspelers te zijn geweest, die voorafgaand aan de experimenten instructies hadden gekregen. Er was zelfs sprake van financiële beloning. Kort door de bocht: deze experimenten bleken in werkelijkheid corrupt. De conclusie dat de brave studenten van nature monsters zijn, blijkt niet langer houdbaar.

The Experiment

En die conclusie wordt bevestigd door de BBC-serie The Experiment waarin gewone en gezonde mannen een uniform aantrokken en een gevangenis binnen stapten. Dat zou gruwelijk worden, was de algemene gedachte en iedereen keek hunkerend uit naar de gruwelen die komen zouden. De uitkomst was echter diametraal tegenovergesteld. De bewakers deelden hun voedsel met de gevangen en probeerde de sfeer te verbeteren. Er gebeurde nauwelijks iets. Het werd een ronduit saai programma dat voortijdig werd afgebroken. Van de monsters die tevoorschijn hadden moeten springen was in de verste verte geen spoor te bekennen.

Uit op harmonie en solidariteit

Op deze manier gaat Bregman talloze gebeurtenissen na. Veel Amerikaanse soldaten bleken in de Tweede Wereldoorlog niet bereid om op de vijand te schieten. Een beeld dat wordt bevestigd door archeologische vondsten uit de Amerikaanse Burgeroorlog. Tijdens de Slag bij Gettysburg (1863) bleken duizenden soldaten hun geweer dubbel of zelfs driedubbel te laden. En daarmee hun geweer ongeschikt te maken om ermee te vuren. Er werd zelfs een geweer gevonden met maar liefst 23 kogels in de loop. De gedachte achter deze zinloze handelingen? Dit dubbele laden was het perfecte excuus om niet te schieten. Conclusie: de meeste soldaten wilden helemaal niet doden. Het hobbesiaanse wereldbeeld van ‘een oorlog van allen tegen allen’, blijkt niet langer houdbaar. De meeste mensen zijn juist uit op harmonie en solidariteit.

The Lord of the Flies

Ook de literatuur blijft niet achter bij de bevestiging van het negatieve mensbeeld. Rode draad in De meeste mensen deugen staat het boek Lord of the Flies waarin auteur William Goldwing betoogt dat er een nazi schuilgaat in een ieder van ons. Een groep jongens strandt op een verlaten eiland en veranderen langzaam maar zeker in beesten die elkaar vermoorden. Nog altijd wordt in het onderwijs dit boek aangehaald als het ultieme voorbeeld van hoe het er in de samenleving aan toe gaat. De mens is een wolf voor de ander.

Antieke hippie

Bregman toont overigens aan dat er wel degelijk mensen zijn die zich van het kwaad bedienen voor eigen voordeel. Denk aan machtshebbers en leiders in organisaties. Zodra mensen op de top van de apenrots zitten en hebzucht hen in de greep krijgt, treden er mechanismen in werking die het negatieve mensbeeld lijken te bevestigen. Maar ook dan blijft Bregman zijn positieve mensbeeld koesteren. Want werd die hebzucht en het beschermen van persoonlijke (en groeps)belangen niet pas geboren toen de mens een aantal millenia geleden veranderde van jager-verzamelaar in boer?

De aanname van Bregman is dat de jager-verzamelaar een nomade was die nauwelijks bezit had om te verdedigen. Kwam een groep nomaden een andere groep tegen, dan vierde men feest, wisselde men huwelijkspartners uit waarna ieder zijns weegs ging. Eenmaal veranderd in een boer, verdedigde de antieke mens zijn huis, haard, vee en ander bezit. De samenleving werd georganiseerd en men stelde koningen aan die de macht naar zich toe trokken, al dan niet in naam van de goden. Angst deed zijn intrede, en vooral ook hebzucht. En ongelijkheid. Het kwaad zit in de structuren, betoogt daarom een verlichte denker als Rousseau, en niet in de mens zoals Hobbes beweert.

Maar die relaxte en vredelievende jager-verzamelaar, die antieke hippie? Die zit nog altijd diep in ons verborgen, zo luidt het betoog van Bregman.

Voorbeelden van het goede in de mens als uitgangspunt

In het tweede deel gaat Bregman een groot aantal recente voorbeelden af (of noem het: experimenten) waarin het goede in de mens het uitgangspunt is. In Zuid-Afrika stond een burgeroorlog op het punt om los te barsten, maar niemand minder dan Nelson Mandela behoedde het land voor deze catastrofe door het inzetten van de kracht van de ontmoeting. In zijn aanpak stonden begrip en vertrouwen in de ander centraal. In dit kader ontdekt Bregman tevens dat vreedzaam verzet in de recente geschiedenis beduidend effectiever is geweest dan gewelddadig verzet.

Advertorials

In dit tweede deel lezen sommige hoofdstukken als advertorials. Pagina na pagina lees ik over Jos de Blok, een bestuurder in de zorg en oprichter van Buurtzorg dat uitgaat van schaalverkleining en vertrouwen. Dat is nog eens iets anders dan bureaucratische instellingen die thans het zorglandschap domineren. Hij is naast Nelson Mandela één van de lichtende voorbeelden voor Bregman. Dat deze ‘idealistische’ zorgbaas miljoenen doorsluist naar eigen BV’s en zorgverzekeraar CZ om deze reden onderzoek deed (of nog steeds doet) naar frauduleus handelen door Buurtzorg, zet Bregmans lofrede op deze zorgbaas in een ander daglicht. Daar komt bij dat Jos de Blok bepaald niet de idealistische jager-verzamelaar lijkt te zijn, maar een rijke boer, sterker nog: één van de machtige (half)goden die de geschiedenis heeft gebaard. Er blijkt sprake te zijn van belangenverstrengeling bij Buurtzorg. Jos de Blok weet het allemaal goed voor zichzelf te organiseren. Ik meen in deze hybris toch echt de geest van meneer Hobbes te zien oprijzen…

Overdrijven is een kunst die Bregman goed beheerst

Een aantal alinea’s verderop stapt Bregman een school zonder lokalen binnen. Hier leren kinderen spelenderwijs en is iedereen raar. Kinderen van alle niveaus worden bij elkaar gezet. Er blijkt nauwelijks te worden gepest en kinderen stippelen hun eigen leerroute uit. Dit in tegenstelling tot het reguliere onderwijs waar afgeschermde hokken, vaste tijdsblokken en formele regels het leven beheersen. Deze scholen ‘lijken meer op een gevangenis’ waar je niet weg mag en waar een strakke hiërarchie heerst. Deze scholen lijken volgens Bregman nog het meest op de school waarom William Golding zijn Lord of the Flies baseerde. Overdrijven is dus ook een kunst die Bregman goed beheerst. Ik heb althans nog nooit een varkenskop op een staak zien staan bij ons op het schoolplein. Ook mijn kinderen zijn nog nooit met zo’n gruwelverhaal thuis gekomen. Laat staan dat ze tijdens sportdag op hun speurtocht naar voetbal of hockeystick in de struiken op een verzameling(etje) kinderlijken zijn gestuit.

Tegenstrijdige gevoelens bij mij als lezer

Wat moet je nu toch met zo’n boek? Ik vind het eerlijk gezegd op onderdelen bepaald niet overtuigend. Bregman lijkt aan wensdenken te doen en de vruchten te plukken die in zijn denkstraatje passen. Of is de geest van wijlen meneer Hobbes nu in mij gevaren? Natuurlijk is het aanlokkelijk om te lezen over de goede eigenschappen waarover de meesten van ons beschikken. En ook ik ben ervan overtuigd dat onze samenleving er baat bij heeft om meer uit te gaan van het positieve in de mens dan van het kwade. Neem alleen al de gure politieke wind die over de wereld waait, een wind waarin belediging en bedreiging dé instrumenten lijken te zijn om de gunst van volgers en kiezers te winnen. Je verantwoordelijk voelen voor de ander of voor een gezonde samenleving blijkt voor velen een stap te ver. Ik ben het in die zin dus wel met Bregman eens dat het wenselijk is om te handelen naar het goede in de mens. Maar tegelijkertijd blijken idealisten ook de verpersoonlijking van de boeren uit de oudheid die op dubieuze manieren hun (financiële) belangen lijken te behartigen. En bovendien: de meesten van ons zijn simpelweg geen jagers-verzamelaars meer. De meesten van ons zijn boer en hebben bezit te verdedigen of willen hun bezit verder uitbreiden. Wie van het goede in de mens uit wil gaan, zal ook de context waarin we leven moeten aanpassen. We zullen weer de jager-verzamelaar moeten worden die onze voorouders waren. Dat zie ik (om allerlei redenen helaas) nog niet gebeuren.

Er zijn echter meer elementen in De meeste mensen deugen die ik niet overtuigend vind. Ik noem hier een aantal punten:

De ‘echte Lord of the Flies’?

De eerste is: de wijze waarop Bregman de roman Lord of the Flies analyseert. Bregman vermeldt weliswaar dat het een roman is, maar beperkt zich niet tot literaire kritiek, nee hij gaat op zoek naar de zogenaamde ‘echte Lord of the Flies‘. Hij vindt inderdaad een groep jongens die ergens in de twintigste eeuw op een onbewoond eiland strandden, ruim een jaar lang in harmonie wisten te overleven en uiteindelijk in blakende gezondheid werden gered. Een hartverwarmend verhaal dus, in tegenstelling tot het verschrikkelijke verhaal van Golding. De mens is zo slecht nog niet, zo blijkt uit ‘de echte Lord of Flies‘.

Wat mij in deze benadering tegenstaat is dat Bregman literatuur analyseert en fileert als een ware historicus die zich niet verlaat op zijn verbeeldingskracht maar op tastbare bewijzen. Zou hij De pest van Albert Camus op deze manier analyseren of De ontdekking van de hemel van Harry Mulisch, dat zou hij volgens deze methode eveneens moeten concluderen: het ‘echte’ verhaal is heel anders. Als we verbeelding voortaan op deze manier gaan benaderen, dan blijft er weinig te verbeelden over! Wat blijft er nog over van de kunstwerken van Vincent van Gogh om andere nog minder realistische kunstenaars maar niet te noemen? En zouden Donald Duck en andere strips met hun onrealistische fratsen passen in het nieuwe wereldbeeld van Bregman? Typisch een gevalletje ‘schoenmaker blijf bij je leest.’ Nu denk je misschien: dat is spijkers op laag water zoeken, maar dat vind ik niet. Niet zo heel lang geleden hadden we de kwestie Pim Lammers wiens verhaal tot in de Tweede Kamer werd gelezen als ware het fictie met doodsbedreigingen aan het adres van de auteur tot gevolg. Als fictie benaderd wordt als ware het non-fictie en non-fictie als fictie dan kan er veel mis gaan in een samenleving.

Bregman zal vinden dat het negatieve mensbeeld dat uit Lord of the Flies opstijgt, een samenleving ook veel kwaad doet. Het zogenaamde nocebo-effect. Dat kan kloppen, maar beperk je dan tot literaire en maatschappijkritiek en zeker tot kritiek op docenten Nederlands die ook nog altijd doen alsof Lord of the Flies niet minder is dan de ultieme waarheid over de mens. Daar komt bij dat het nog maar de vraag is of het zwartgallige mensbeeld dat Golding verkondigt werkelijk zo ver bezijden de waarheid is. Ook Bregman concludeert elders in zijn boek dat de mens in zijn transitie van jager-verzamelaar naar boer veel van zijn onschuld verloor. De strijd om bezit en macht die deze transitie tot gevolg zou hebben gehad, bracht naast veel goeds, ook veel kwaad in de wereld. Je zou deze transitie zelfs kunnen vereenzelvigen met de zondeval.

Weinig gevoel voor de verbeeldingskracht van mythen en verhalen

De omgang met Lord of the Flies lijkt echter ook exemplarisch voor Bregmans houding tot verhalen. Een eind verderop concludeert hij dat mythen (‘verhalen’) door machthebbers werden gebruikt om het volk in gareel te houden. Heel veel meer heeft hij niet over voor de menselijke verbeeldingskracht die toch ook heel veel goeds heeft voortgebracht. Hij haalt in dit verband de Israëlische historicus Yuval Noah Harari aan en diens boek Sapiens en noemt dit boek weliswaar fascinerend maar laat die fascinatie vervolgens een zin verder verdampen in een groot probleem. In elk geval ontbreekt de positieve waardering van de imaginaire orde (waarover Hariri zo fascinerend en intelligent schrijft in zijn boek Sapiens) ten enen male in zijn boek en dat vind ik jammer.

Een historicus is zo maar nog geen theoloog

Een bladzijde eerder (blz. 286) misbruikt Bregman (notabene zoon van een predikant) in mijn ogen ook een Bijbeltekst door de betekenis ervan diametraal om te keren. ‘Bij jullie zijn alle haren op je hoofd geteld,’ zo staat geschreven in het Evangelie. Bregman maakt ervan dat deze tekst betekent dat ‘De Heer zelfs je gedachten lees’. God, ‘een Superleviathan’ bespioneert je volgens Bregman 24 uur per dag, 7 dagen per week. Gaf Bregman hierboven in mijn ogen er al blijk van weinig gevoel te hebben voor de betekenis van verhalen, mythen en verbeeldingskracht, nu blijken zijn inzichten als theoloog even ondiep te wortelen als de korstmossen op de stenen. Een historicus is zomaar nog geen literaire criticus en al helemaal geen theoloog. Eigenlijk is het waardeloos wat Bregman hier met een kerntekst uit het Evangelie uithaalt. Ik kan een originele exegese vrijwel altijd wel waarderen, maar dit slaat nergens op. Terwijl de voorbeelden in de archeologie voor het ‘alziende oog’ toch voor het oprapen liggen. Zowat elke middeleeuwse kerk heeft wel ergens een alziend oog op het plafond geschilderd. Had hij zich wel willen beperken tot het vermelden van een passende Bijbeltekst dan had één van de profeten uit het Oude Testament hem geschiktere alternatieven kunnen aanreiken. Een beetje historicus had zijn betoog op het punt van de alziende God wat intelligenter geschraagd.

Vermoeiende en misleidende retorische trucs

Het tweede punt waar ik een beetje moe van werd is de retorische truc die exemplarisch is voor De meeste mensen deugen. Bregman begint vrijwel elk hoofdstuk met een relaas dat vroeg of laat niet waar blijkt te zijn. Dat kun je twee keer doen, maar na de derde keer ken je het trucje wel en weet je na het lezen van de eerste zin van het hoofdstuk al dat je beet genomen gaat worden. Heel fundamenteel is deze kritiek natuurlijk niet, wel doorzichtig en op den duur vermoeiend. Wel fundamenteel is een soortgelijke truc die hij uithaalt met het beschrijven van het gedachtengoed van Thomas Hobbes. Zo ongeveer de hele eerste helft van zijn boek is Hobbes de kwaaie pier vanwege het negatieve mensbeeld dat deze filosoof huldigt. Bregman bevestigt dit voortdurend waardoor het beeld ontstaat van Hobbes als de duivel. Pas ergens halverwege het boek komt de andere aap uit de mouw: Hobbes had ook een oplossing voor het negatieve mensbeeld en het onvermogen van de mens, namelijk: de rede. Zo uitzichtloos en inktzwart zijn de denkbeelden van Hobbes bij nader inzien dus niet. Hobbes ziet in elk geval geval een geitenpaadje naar de verlossing. Ik heb overigens geen enkele behoefte om Hobbes te verdedigen, maar het gaat me om de retorische truc die je feitelijk op het verkeerde been zet. Had Bregman van meet af aan met twee woorden gesproken over Hobbes, dan had dat zijn betoog vrijwel zeker beïnvloed.

Deugden de soldaten wel of niet?

Vind ik alle uitkomsten van zijn historisch onderzoek overtuigend? Dat is voor mij als niet-historicus natuurlijk lastig te beoordelen. Toch vind ik zijn betogen hier en daar wat wankel. Neem nu de soldaten tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog. Een groot aantal laadde zijn geweer meerdere malen, een aanwijzing dat ze niet wilden schieten en al helemaal niet wilden doden. Conclusie: zo moordzuchtig is de mens niet; de mens deugt. Maar de vraag waarom deze soldaten niet wilden schieten, wordt niet beantwoord. Dat kan Bregman ook niet, hij is tenslotte historicus en geen psycholoog. Misschien stonden vaders wel tegenover zoons, broers tegenover broers, vrienden tegenover vrienden, leveranciers tegenover klanten. Dit is allemaal niet uit te sluiten tijdens een burgeroorlog in een maatschappij die veel kleiner was dan de huidige en ik kan me voorstellen dat zulke relaties de schietbereidheid beïnvloedden. Hadden de soldaten tegen volstrekt onbekenden gestaan, dan hadden ze wellicht wel geschoten. Of deze soldaten waren het faliekant oneens met de motieven voor deze oorlog en hadden enkel gedachten aan moeder de vrouw en de lieve kinderen thuis. En zo zijn er wellicht nog meer motieven te bedenken waarom deze soldaten niet hebben geschoten. Eén ding is wel duidelijk: als soldaat deugden ze in elk geval niet. Hoeveel van deze ‘dubbelladers’ hebben de slag immers niet overleefd?

Van wie waren deze geweren trouwens? Van de slavenhouders en hun kompanen misschien die er niet voor terug deinsden hun slaven te mishandelen, te verkrachten en op gruwelijke wijze te doden en dat ook wilden voortzetten? Dat een mens in de ene context zich misschien voorbeeldig gedraagt wil nog niet zeggen dat hij in een andere context nog steeds het deugdzame jongetje is. Cherry picken heet de aanpak van Bregman geloof ik. Wel, op deze manier kun je Adolf Hitler ook als deugdzaam mens neerzetten, want die zorgde immers zo goed voor zijn hond Blondi en zijn geliefde Eva Braun!

Kameraadschap als dragende factor in het Duitse leger?

Of neem de Duitsers die onder invloed van crystal meth Frankrijk veroverden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Deze drug maakt je extra agressief. Zonder gebruik van deze drug zou Parijs niet zijn gevallen, schrijft Bregman, of in elk geval niet zo snel. Aan het einde van diezelfde oorlog blijken de Duitsers verrassend lang en fanatiek door te vechten. De enige en ultieme verklaring die Bregman daarvoor geeft is dat het Duitse leger gegrondvest was op kameraadschap (‘hechte vrienden gaan voor elkaar door het vuur’). Kennelijk was de voorraad crystal meth op of hadden de soldaten ondertussen een afkickkliniek bezocht? Ook dat klinkt misschien flauw, maar kameraadschap als enige en belangrijkste verklaring voor fanatiek doorvechten acht ik wat magertjes. Historicus Ian Kershaw vermeldt in zijn boek Tot de laatste man in elk geval dat er ook andere motieven waren waarom Duitse soldaten niet durfden (of wilden) opgeven. Bregman lijkt hier weg te kijken van onderzoeksresultaten van andere gerenommeerde historici.

Wat zijn feiten nog waard?

In een boek over ons mensbeeld is het wonderlijk dat aan een filosoof als Emmanuel Levinas ten enen male ontbreekt. Diens gedachten over de Ander zouden het betoog van Bregman aanzienlijk hebben versterkt. De Ander die een ethisch appèl doet op ons. Wel belijdt Bregman zijn aanvankelijke trouw aan Bertrand Russel (1872-1970), een Amerikaanse filosoof die naar eigen zeggen louter en alleen uitging van de feiten. Maar als de 21e eeuw tot nu toe één ding heeft geleerd is dat feiten lang niet altijd en voor iedereen feiten blijken te zijn. Wat zijn feiten nog waard in een tijd waarin fictie wordt geïnterpreteerd als non-fictie en non-fictie als fictie wordt aangemerkt?

Wonderlijke leefregels

Het meest wonderlijke van dit boek vind ik overigens de tien leefregels van Bregman. De domineeszoon die religieuze geschriften en de geboden erin bij uitstek beschouwt als de één van de machtsmiddelen die heersers inzetten om het volk in toom te houden. Deze domineeszoon treedt in de epiloog plots op als de Messias zelf of, ironischer nog: als een boer die zijn eigen geboden uitvaardigt. Dat heb ik nog maar weinig historici zien doen in hun boeken. Hij doet ook nog eens zijn best om enkele leefregels te overgieten met een Bijbels sausje. Heb je naaste lief, gelijk ook anderen hun naasten liefhebben, is er zo één, als variant op: Heb je naasten lief als jezelf. En een andere leefregel: Sla geen nazi (of: steek een hand uit naar je grootste vijand) als variant op het toekeren van de andere wang als je op de andere een klap hebt gekregen. Ik zou zeggen: historicus blijf bij je leest en laat het uitvaardigen van leefregels maar over aan de enige echte Verlosser. Zijn leefregels hebben zich de afgelopen tweeduizend jaar wel bewezen ondanks dat sommigen van zijn volgelingen die leefregels niet altijd hebben begrepen.

Uitgaan van het goede in de mens

Goed. Gelukkig deugen de meeste mensen. Daar kunnen we niet helemaal omheen. En helaas sommigen bij nader inzien toch niet. De meesten van ons zijn immers geen jager-verzamelaars meer, maar boeren. Elkaar het vertrouwen geven en elkaar stimuleren tot het goede. Een beetje compassie betonen met elkaar. De menselijke maat betrachten in plaats van verdwaald raken in het bureaucratische doolhof. Overheidsbeleid dat uitgaat van het goede in de mens in plaats van het kwade. De mens als verantwoordelijk wezen in plaats van de egoïstische homo economicus die slechts streeft naar maximalisatie van persoonlijk gewin. Kortom, de mens als de Ander. Dat mensbeeld doet de burger goed en de samenleving eveneens. Ik vind het een prachtige droom en ik hoop met Bregman dat de mensheid ooit zover kan komen.

Voorlopig hebben we wereldwijd echter nog te maken met boeren die hun bezit en vermeende voorrechten nog met hand en tand verdedigen. De realiteit is dat de meesten van ons brave Hendriken zijn, maar o wee wanneer er aan onze voorrechten wordt geknabbeld… Dan gaan de vlaggen onderste boven, verzinnen we de gekste mythes en complotten en vliegen je onder aanvoering van opiniemakers en politici op de sociale media de verwensingen en doodsbedreigingen om de oren. In een land niet ver van ons vandaan worden de mythen thans omgezet in hypersonische kruisraketten. Bregman strooit ons met zijn hier en daar zoetsappige betoog ook wel wat zand in de ogen. We zijn immers geen samenleving meer van jager-verzamelaars, geen antieke hippies, maar een samenleving van postmoderne boeren waar de ene boer (veel) groter is dan de andere en de grootste alleen maar groter lijken te worden.

Toe aan een stevige mythe

Tja. Wat nu? Eerlijk gezegd ben ik nu weer toe aan een stevige mythe, een roman waarin ik de mens tegenkom zoals de schrijver hem voorstelt. Graag een nieuwe roman van Philippe Claudel is mijn vurige wens en bede. En als ik het beleven mag, worden die wens en bede dit jaar vervuld: er is een nieuwe roman op komst van mijn literaire held met de titel Schemering. ‘Een tragedie waarbij de slechte gewoonten van de mensheid en de misdaden en wreedheden tussen buren een hoofdrol spelen. Heeft het zin om je te verzetten tegen de onstuitbare loop der gebeurtenissen?’ Ik ben benieuwd hoe deze roman zich verhoudt tot het bij vlagen rammelende betoog van Bregman waaraan ik dit véél te lange artikel heb gewijd.

De meeste mensen deugen / Rutger Bregman / De Correspondent / als paperback, als e-book en als luisterboek