Recensie: De kanoet, Rob Buiter

Hoe vaak ik ook vogels kijk in de Zeeuwse Delta, kanoeten zie ik zo gek vaak niet. Hoewel op de zandplaten van de Oosterschelde en Westerschelde op het jaarlijkse hoogtepunt toch tien- tot twintigduizend overwinterende kanoeten rondlopen, zo lees ik in het prachtige boek De kanoet van Rob Buiter. Het zijn allemaal islandica’s zo lees ik, de ondersoort die op Groenland en in Canada broedt. Dat is ook mooi om te weten. Er valt veel meer te ontdekken over de kanoet en daar is dit boek bij uitstek geschikt voor.

‘Ik heb een kanoet gezien’. Dat is makkelijk gezegd, maar voor de kenner begint het dan pas. Er blijken namelijk maar liefst zes ondersoorten op onze aardbol voor te komen! En twee ervan doen ook ons land aan: de hierboven al genoemde islandica’s die vanuit hun broedgebieden op Groenland en in Canada naar de Waddenzee en de Zeeuwse en Zuid-Hollandse Delta vliegen om er te overwinteren. En de Canutussen, afkomstig uit het hoogste puntje van Siberië, precies ook het gebied waar de zwartbuikrotgans broedt. Deze ondersoort vliegt ook naar onze contreien, maar vliegt na een pauze door naar West-Afrika om op de befaamde Banc d’Arguin te overwinteren. Een deel van deze populatie vliegt zelfs nog zuidelijker om zelfs ten oosten van Zuid-Afrika te overwinteren!

Het zijn bepaald geen doetjes, die kanoeten, hoewel: heb je ze eenmaal in een kooi gestopt voor wetenschappelijk onderzoek, dan gedragen ze zich zo mak als een lammetje. Valt er voor wetenschappers aan een rosse grutto in een proefkooi geen eer te behalen (de rosse grutto blijkt een stress-gevoelige vogel en zal fanatiek blijven fladderen), daar schikt de kanoet zich in zijn lot. Al snel eet hij van het voorgeschotelde voedsel in voederbakjes. Van stress lijkt geen sprake en daarom is de kanoet een ideale vogel voor de wetenschapper. De vogels laten zich uitstekend observeren in hun kooien. Na een paar jaar trouwe dienst worden de proefkonijnen weer los gelaten en vliegen ze opgewekt weer met hun soortgenoten mee naar de broedgebieden. Ze hebben ondertussen wel een paar jaar van hun leven in gevangenschap doorgebracht. Dat wetenschappelijk onderzoek ook een offer vraagt van de kanoeten, daar zijn de wetenschappers zich van bewust. Het offer dat een individuele kanoet brengt, komt (hopelijk) ten goede aan het voortbestaan van de hele populatie. En vandaar dat van Siberië tot langs de West-Afrikaanse kust, van Groenland tot in China, onderzoek wordt gedaan naar het wel en wee van de kanoet. Overigens ook van andere steltlopers die hier en daar ook ter sprake komen in De kanoet.

In 35 korte hoofdstukken trekt het leven van de kanoet aan je voorbij. Veel aandacht gaat uit naar de trek, dat machtige fenomeen dat jaarlijks miljarden vogels in beweging brengt en dus ook de kanoet. Nederland blijkt een heel belangrijke rol te spelen tijdens de trek van de kanoet. En dat heeft iets kwetsbaars, want toen kokkelvissers met een paar wel héél efficiënte trekken de kokkelpopulatie in de modderbanken rond het eiland Griend decimeerde, waren de kanoeten acuut verdwenen. Ze vlogen door naar een waddengebied in Engeland of naar de Zeeuwse Delta, waar plots veel meer kanoeten werden gesignaleerd. Het waterbedeffect wordt dit genoemd. Die efficiënte kokkeltrek betekende overigens wel vrijwel meteen het einde van de grootschalige kokkelvisserij. Het belang van Nederland voor de kanoet en andere steltlopers op trek bleek te groot en dus werden de kokkelvissers uitgekocht.

recensie de kanoet rob buiter

De vensters op het leven van de kanoet vind ik buitengewoon interessant. Even zo interessant vond ik om te lezen over het wetenschappelijk onderzoek naar het wel en wee van de kanoet. Waarom is er in de loop van de tijd een tekort aan kanoetenmannen ontstaan? Waarom overwinteren kanoeten uitgerekend in zoute delta’s? En wat is de invloed van klimaatverandering op het broedsucces van de kanoet? Die invloed blijkt groot: door de verandering van het klimaat vindt de insectenpiek in het hoge noorden twee weken eerder plaats, maar de kanoeten komen tegenwoordig gemiddeld slechts 2 dagen eerder aan in hun broedgebieden! Dat is dus twaalf dagen te laat. In sommige jaren komen dan ook bijkans alle kuikens om. Gelukkig af en toe afgewisseld met een jaar waarin wel veel kuikens groot worden. Wel lijkt de gemiddelde kanoet steeds kleiner te zijn als hij zijn broedgebied verlaat naar het zuiden, ook een gevolg van het veranderende klimaat. Feitelijk gaan er min of meer ondervoede kanoeten op trek en je snapt dat dat niet in het voordeel is van een vogel met het gewicht van hooguit een paar ons.

Hoeveel schelpdieren kan een kanoet eten? Dat blijkt afhankelijk te zijn van het soort schelpdier. Kanoeten slikken schelpdieren met schelp en al in en kraken in hun maag de schelp. Een dunne schelp met veel, goed verteerbaar vlees is de ideale combinatie. De melkwitte cirkelschelp zou hét stapelvoedsel in de Banc d’Arguin (Mauritanië) kunnen zijn, ware het niet dat deze schelp vol met giftige zwavelverbindingen zit. Te veel van dit schelpdier eten komt de kanoet op maag- en darmklachten te staan en daarom eet de kanoet een mix van schelpdieren. De wetenschappelijke conclusie: je moet niet enkel kijken naar de totale hoeveelheid schelpdieren in een estuarium, ook de variatie aan schelpdieren is van groot belang. Met alleen melkwitte cirkelschelpen eet de kanoet zich dood. Met alleen grotere, dikkere venusschelpen doen ze dat ook, want het kraken van deze schelpen kost meer tijd en energie en levert netto dus minder voedingswaarde op.

Ach ja, de mens. Ik haalde het voorbeeld van het verwoestende effect van de kokkelvisserij in de Waddenzee al aan. In de Banc d’Arguin is iets dergelijks aan de hand. De ongebreidelde visserij heeft er geleid tot een enorme reductie van het aantal roggen en haaien die leven van de bloedkokkel, een schelpensoort die te groot is om gegeten te kunnen worden door kanoet en andere wadvogels. De bloedkokkel verdringt de kleinere schelpdieren waarmee deze vogels zich voeden. Hoe de visserij, aangejaagd trouwens door de Chinese voorliefde voor haaienvinnen, ook daar een bedreiging vormt voor vogelpopulaties…

Laten we niet in de mineur eindigen. De kanoet is een schitterende wadvogel waar ik elk jaar naar uit kijk en waarvan ik er ieder jaar ook slechts enkele van zie. Zo vaak kom ik immers niet in de Waddenzee met zijn wolken van tienduizenden kanoeten en andere steltlopers. Meestal zie ik juveniele kanoeten, te herkennen aan de zwarte lijntjes om de veren. Hoe mooi een volwassen kanoet is zie je al op de voorkant van dit boek. Het boek is trouwens prachtig vormgegeven en voorzien van talloze foto’s die zijn gemaakt door Jan van de Kam.

Door de korte hoofdstukken en door de elegante schrijfstijl van Rob Buiter, verslaggever voor Trouw en Vroege Vogels, vond ik het een feest om De kanoet te lezen. Je wordt als vanzelf onderdeel van de wereld van de kanoet en die van de wetenschappers die een flink deel van hun leven wijden aan onderzoek naar de kanoet. Dat moet toch ook wel mooi zijn, met de kanoet op reis van noord naar zuid en andersom. Je ziet hem vertrekken in zomerkleed, volgt hem in winterkleed, laat hem weer vertrekken van zuid naar noord waar je hem weer tegenkomt in zomerkleed. Hoewel, wel goed zoeken, want in zijn roodbruine zomerkleed is hij nauwelijks te onderscheiden van de rode flora in het Arctische gebied. Oppassen, want hij blijft extreem lang op zijn nest zitten. Pas wanneer je bijna op hem staat, zal hij misschien zijn nest verlaten. Zou je één van zijn kuikens oppakken dan is er een goede kans dat de oudervogel op je hoofd komt zitten. Prachtige verhalen over een prachtige vogel en over geweldige onderzoekers. Dit natuurboek verdient een dikke aanbeveling.

De kanoet / Rob Buiter / Uitgeverij Noordboek / als paperback

Verwelkom nieuw leven in jouw tuin dit broedseizoen!