Recensie: De goudvink, Achilles Cools

de-goudvink-achilles-coolsAan de befaamde serie van Atlas Contact is onlangs weer een nieuw prachtig deel toegevoegd: De goudvink van kunstenaar Achilles Cools, die eerder de klassieker De kauw schreef. In zijn nieuwe boek blijkt hij geobsedeerd door een van de mooiste vinkensoorten die ons land rijk is: de goudvink. Die obsessie begint in zijn achtertuin en voert hem naar verder gelegen streken, tot in Afrika aan toe.

button (1)

 

 

 

Twee dingen fascineren Achilles Cools met name: de bloedrode kleur van de mannetjes en hun typische fluittoontjes. Eigenlijk is de naam goudvink een beetje merkwaardig, want goudkleurig is de goudvink bepaald niet. De Latijnse naam Pyrrhula pyrrhula is veel treffender: ‘vuurrode’ betekent dat. Dat is een gloedvolle naam, een naam die volgens de auteur verband houdt met edelmetaal. In elk geval zegt de naam goudvink iets over de waardering voor hem als soort. Er zijn zelfs streeknamen die de ‘u’ in de naam weglaten en hem aanduiden als godvink. Dat zegt wel iets over de status van de goudvink. De kleur rood is een van de inderdaad ‘rode’ draden door het boek. Begin te lezen in De goudvink en Vandaag is rood om met een bekend lied te spreken. Dat heeft trouwens alleen betrekking op de mannetjes. De vrouwtjes zijn bruingrijs en voelen zich slechts aangetrokken tot het meest vlammende rood. ‘Rood trekt aan, het is de lokkleur bij uitstek,’ schrijft Cools.




Ondertussen beleeft Cools ook grote genoegens aan het beluisteren van de goudvink. ‘Het lijkt wat op een panfluit waarop zacht wordt geblazen.’ Ik moet eerlijk bekennen dat ik zelf nog niet vaak goudvinken heb horen fluiten. Wel de zachte dju, maar helaas niet de enorme variatie aan fluittonen die variëren van die eenvoudige (maar o zo diepe dju) eenletterige roep tot een aria van een wonderbaarlijke complexiteit. Die laatste tonen doen Cools zelfs denken aan een erg stil nachtegalenzang. Iemand die ook zo gefascineerd was door de zang van de goudvink was de Duitser Jürgen Nicolai. Tijdens de Tweede Wereldoorlog namen de Britten hem krijgsgevangen en hoorde hij in België goudvinken zingen. Toen hij vrij kwam, aarzelde hij niet en schreef zich in aan de universiteit met het voornemen de goudvink grondig te gaan bestuderen. Het werd zijn levensproject. Zijn hele verdere leven stond in het teken van de goudvink. Aan het eind van zijn leven liep de professor rond met op zijn wijsvinger een goudvink en leerde hem het fluitwijsje van het lied ‘Goldene Abensonne’ aan. Op de begrafenis van Nicolai liet men het lied van deze bijzondere goudvink horen.

Achilles Cools moet een gelukkig mens zijn. Althans, dat lijkt me, want wie goudvinken in zijn tuin heeft, die is gelukkig. Ik ben opgegroeid in Zeeland en in die lege polders broeden maar weinig vinken. Er broedt op de akkers – in mijn ogen verkapte industriële complexen – verder ook trouwens bijzonder weinig. En zeker geen goudvinken. Cools daarentegen kan het hele jaar door het wel en wee van de goudvinken volgen. Hij ziet van nabij hoe de mannetjes hun best doen om toenadering te zoeken tot de vrouwtjes. En hoe de vrouwtjes op die avances reageren.

‘De voortplanting is het hoogtepunt van het jaar. Vrouwen weten dat ze een man kunnen bespelen. In het begin wijst ze vaak de toenaderingen van een vurige man af, waardoor hij nog enthousiaster wordt met baltsen en lokfluiten. De vrouw schijnt de trouw en volharding van de man te testen. Wanneer hij zoveel moeite doet om haar te winnen zal hij niet ontrouw zijn.’

Het levert bijzondere taferelen op. Voor wie vroeg uit de veren wil trouwens. Baltsen gebeurt vooral in de vroege uurtjes, vlak na zonsopgang. Maar het is de moeite waard, maakt Cools me in De goudvink duidelijk. Het mannetje zet tijdens de eerste toenadering zijn borstveren op, probeert haar te snavelen en draait daarna snel weg. Het vrouwtje vliegt vervolgens met geopende snavel op hem af. Waar het mannetje vervolgens weer opgewonden op reageert. Hij biedt haar een paar strootjes aan en probeert haar opnieuw te verleiden door over haar heen te springen. En zo danst het paar heen en weer. Prachtig hoe Cools dit beschrijft. Natuurlijk veel uitgebreider dan ik het hier een beetje probeer samen te vatten. Zoals wel vaker in recensies: ik moet me beperken waarbij ik hoop dat het je naar meer smaakt.

Helaas zijn goudvinken niet door iedereen geliefd. Fruitkwekers hebben het niet zo op hen. De goudvink is namelijk gespecialiseerd in het eten van boomknoppen. Zo erg, dat men in de zestiende eeuw goudvinken massaal afslachtte. Elke ingeleverde goudvinkenkop leverde een penny op. Als je leest dat goudvinken dertig knoppen per minuut kunnen afrukken, begrijp je er misschien iets van. Maar er is een keerzijde. Fruitkwekers zelf dunnen hun bomen zelf ook uit. Ik heb dat zelf als vakantiewerk gedaan. Uit een tros appels worden er een paar verwijderd, zodat de achterblijvende appels groter kunnen groeien. In die zin zouden knoppenpikkende goudvinken wel eens behoorlijk nuttig kunnen zijn. Cools doet allerlei voorstellen om het leed voor fruitkwekers én goudvinken te verzachten. Een van de mooiste voorstellen vind ik het plaatsen van voederbakjes in de boomgaarden. Na het bezoek aan deze voederplaatsen blieft de verzadigde goudvink geen knoppen meer. ‘Misschien beleeft men er evenveel plezier aan als ik,’ besluit hij dit hoofdstuk.

Vogelaars zijn echter niet de enige liefhebbers van goudvinken. Helaas niet. Nog steeds is de goudvink, evenals andere vinkensoorten, mateloos populair onder liefhebbers van kooivogels. Zolang die hun kooivogels op toegestane wijze kweken is er niet veel aan de hand. Maar er is een groep die zich schuldig maakt aan het wegvangen van in het wild levende goudvinken. Ik associeer deze praktijken met de periode voor de Tweede Wereldoorlog, maar ik las dit jaar nog een artikel dat zangvogels, waaronder de goudvink, nog altijd massaal worden weggevangen uit de natuur. Gelukkig lijkt de publieke opinie zich tegen het houden van kooivogels te keren:

‘Enerzijds ziet men er een materialistische vorm in van genot beleven aan vogels. De dieren moeten hun gevangenschap ondergaan en krijgen in ruil te eten, zodat ze niet de strijd om te overleven hoeven voeren in de ‘wilde, onbarmhartige natuur’. (…) Maar wat vogels in vrijheid in de natuur vinden, maakt hen zoveel sterker, levenslustiger en mooier. In de natuur is een vogel iemand, in een kooi niemand.’

Achilles Cools schreef met De goudvink een prachtige monografie over een van de mooiste vinken die ons land rijk is. Om maar bij mezelf te blijven: zien en horen van een goudvink zijn voor mij een hoogtepunt. De goudkoorts waarmee Cools is behept, weet hij prachtig te beschrijven en over te brengen. In die zin is De goudvink niet alleen maar een boek over deze bijzondere vink, maar ook een boek over de ervaringen van Cools met de goudvink. Persoonlijke verhalen en beschrijvingen van het gedrag van de goudvink lopen door elkaar heen en dat maakt dit boek zo prettig leesbaar. Cools is een stylist, zijn teksten zijn een feest om te lezen. Ik heb ervan genoten en hoop dat velen dat met me zullen doen. Goudkoorts is soms best prettig.

De goudvink / Achilles Cools / Atlas Contact / als paperback en eboek

button (1)

 

Andere delen in de serie vogelboeken van Atlas Contact: