Recensie: De gladde slang, Arnold van Rijsewijk en Jeroen van Delft

In Nederland en Vlaanderen komen drie inheemse slangen voor: de adder, de ringslang en de gladde slang. Voor mij zijn het mysterieuze wezens, want een slang zag ik nog nooit in Nederland. En toch, ze zijn er, en soms verrassend dichtbij ook. Dat ontdekte ik tijdens het lezen van het pas verschenen boek De gladde slang.

Want: in het westen van de provincie Noord-Brabant blijkt een belangrijke populatie te leven. De omgeving van Ossendrecht, gelegen op de Brabantse Wal, blijkt een kerngebied te zijn. Een ook de omgeving van Zundert, de Kempen en de Peelgebieden blijken belangrijke leefgebieden van deze onopvallende en onbekende slang.

Dat de gladde slang onopvallend is, is zo gek nog niet. Hoewel mannetje en vrouwtje best lang worden (maximaal 68 respectievelijk 72 centimeter), worden deze lengtes lang niet altijd gehaald. Sterker nog, pas vanaf het vierde of vijfde levensjaar zijn ze groter dan veertig centimeter. En vanaf dat moment groeien ze nog maar één tot twee centimeter per jaar. De groei gaat dus ontzettend langzaam en dat wordt aardig geïllustreerd door een hand met daarin een gladde slang van ongeveer dertig centimeter. Dat beestje weegt tien gram. Het is dus nauwelijks groter dan een flinke regenworm. Een beetje overdreven gesteld natuurlijk, maar ik wil er maar mee zeggen: je kijkt er al snel overheen of erlangs. Tel daarbij op de perfecte schutkleur en zelfs een doorgewinterde natuurliefhebber zal moeten toegeven dat hij zelden tot nooit een gladde slang ontmoet.

Het boek De gladde slang vertelt het boeiende verhaal van het gelijknamige dier. Het boek is toegankelijk geschreven, want het moest juist voor ‘gewone’ natuurliefhebbers geschikt zijn. En niet alleen voor wetenschappers of onderzoekers. Je komt dan ook niet veel vaktermen tegen. Lekker lezen dus. Tel daar de vele kleurenfoto’s bij op en je weet dat je een fraai vormgegeven boek in handen hebt.

Ondertussen lees je alles over het uiterlijk van de gladde slang, zijn levenswijze, het aantal keer dat hij vervelt, en in welk biotoop hij leeft. Nu is de gladde slang een koudbloedig dier, dus is hij afhankelijk van de omgevingstemperatuur. Er moet voldoende zon op de bodem schijnen, maar er moet ook sprake zijn van schuil- en schaduwplekken. Hoe warmer, hoe beter, gaat ook weer niet op. Hoogvenen, heides, bosranden, open bossen, bermen en graslanden, daar vind je hem. Overigens kun je de gladde slang ook in hartje winter zien. Want de bodemtemperatuur loopt snel op als de zon schijnt. In zijn algemeenheid kun je stellen dat de gladde slang baat heeft bij een natuurlijk landschap, dan wel bij een kleinschalig landschap waar sprake is van natuurinclusieve landbouw. Dat is natuurlijk niet zo heel vreemd. Want wat heeft een gladde slang te zoeken op een akker van een intensieve landbouwer? Hij moet zo nu en dan toch ook nog een prooi zien te vangen, een kikker, muis of hagedis. En die leven er niet zo heel veel op die industriële akkers en weilanden van tegenwoordig. Mooi trouwens om die foto’s te bekijken van gladde slangen met prooi in de bek, of met een prooi die helemaal is omstrengeld door een slangenlijf.

De vijanden van de gladde slang worden ook aan je voorgesteld. De klapekster is er zo één, en ook de egel blijkt een ware slangenkiller. Evenals de slangenarend die niet voor niets die naam draagt. Tot mijn grote verrassing wordt de slangenarend steeds vaker gezien in de Lage Landen. Dat duidt toch op een toename van het aantal reptielen in onze contreien. Driekwart van het menu van de slangenarend bestaat uit slangen. Ik weet eigenlijk niet of ik dan zo blij moet zijn met de verschijning van een slangenarend. Maar ja, elke bioloog zal zeggen: waar een slangenarend jaagt, daar zitten voldoende slangen. Dus ja, blij mag ik waarschijnlijk wel zijn.

Ik stip zomaar wat onderwerpen aan, want over de gladde slang valt veel meer te schrijven en dat doen de auteurs dan ook. Het boek De gladde slang kun je met recht een monografie over de gladde slang noemen. Mooi vind ik het hoofdstuk over het landschapsbeheer. Neem je in het landschapsbeheer de gladde slang als uitgangspunt, dan profiteren allerlei andere bijzondere soorten van dit beheer: de geelgors, bruine eikenpage, de nachtzwaluw en de veldparelmoervlinder bijvoorbeeld. Op herstelde heideterreinen bleken zich opeens zeer zeldzame dagvlinders en spinnensoorten te vestigen.

Wil je je jezelf aanmelden als vrijwilliger om de gladde slang te inventariseren in een (natuur)gebied, dan raad ik je helemaal aan het boek De gladde slang te lezen. Het bevat namelijk een handleiding voor het organiseren van een inventarisatie of monitoring van de gladde slang. Eén ding kan ik je verzekeren: pak een gladde slang niet zomaar op. Giftig is hij niet, maar bijten kan hij wel. En als ze echt gestresst zijn, dan schijten ze je helemaal onder en dat stinkt nogal.

Kortom, mijn conclusie: het boek De gladde slang is een prachtige monografie over een bijzonder reptiel dat gelukkig ook nog in ons land voorkomt. Ik wens hem snel te mogen ontmoeten. Na het lezen van dit boek pretendeer ik al zijn geheimen te kennen, maar of dat ‘in het veld’ ook nog zo is, moet nog maar blijken.

De gladde slang / Arnold van Rijsewijk en Jeroen van Delft / KNNV Uitgeverij / als hardcover

Mijn tips voor natuurbeleving en vogels kijken

Met deze tips beleef je de natuur nog intenser en komen de vogels letterlijk dichterbij:

(voor elk budget de drie beste opties)

(héél véél keuze, en zelfs met geheel contactloos verblijf!)

(voor elk budget een paar opties)

(per provincie gesorteerd)

(aantrekkelijke planten voor vogels, vlinders en andere insecten)

(lees hier mijn tips om spechten, mezen en roofvogels naar je tuin te lokken)

(mijn persoonlijke top tien)