Recensie: Alles waar ik spijt van heb, Philippe Claudel

Waarom Philippe Claudel een van mijn favoriete auteurs is? Vanwege de droeve toon? De Franse toonzetting die ik meer aanvoel dan kan aanwijzen? Of is het de zoektocht naar het ‘mysterie van de mens’ wat voor hem de reden is om te schrijven, zoals hij in een interview aangeeft? Het zal eerder de combinatie van de eerste twee redenen zijn. De laatste reden heel misschien, maar zijn uitspraak vond ik pas toen ik over deze vraag ging nadenken, dus die reden doet iets te gekunsteld aan. Philippe Claudel is voor mij simpelweg een heel goede schrijver die met zijn minimalistische stijl zijn vaak ietwat absurde hoofdpersonen leven geeft. Let wel, ik ben geen literatuurcriticus, mijn kwalificaties kunnen best langs vastgestelde literaire meetlatten en indelingen heen schieten. Laat ik het maar gewoon zeggen: ik heb van de roman Alles waar ik spijt van heb enorm genoten. De gekwelde ondertoon stemde me zo bedroefd dat ik tijdens het schrijven van deze recensie het fantastische Requiem for my friend van Zbigniew Preisner heb aangezet. Ideale muziek om na afloop van deze roman te beluisteren. Daar zul je geen spijt van krijgen.

 

Het Requim for my friend klinkt soms even schril en gekweld als de roman Alles waar ik spijt van heb. Philippe Claudel laat een man terugkeren naar zijn geboortestadje. Hij arriveert per bus, terwijl zijn buurman tegen zijn schouder aan ligt te slapen. ‘Tot hier en niet verder,’ zei de chauffeur en hij parkeerde de bus. Drie dagen geleden is het stadje ondergelopen. Te voet gaat de man verder. Onderweg achtervolgd door een haveloze jongen. Even raadselachtig als het verhaal tot dan toe. Jos Sanglard, de eigenaar van Hôtel de l’Industrie, doet na lang aandringen open. De eerste gast sinds acht maanden geleden de laatste het hotel verliet. Uit een aangrenzende kamer stijgt gelach op als een jammerklacht van een huilende wind. De volgende dag de tocht naar het mortuarium. Gloednieuw, de beambte is maar wat trots op de hypermoderne techniek van Duitse makelij waarover het mortuarium beschikt. Een laken wordt opzij getrokken en daar ligt ze: zijn moeder. Tot ver in Alles waar ik spijt van heb een naamloze moeder. In alles een liefhebbende moeder. Een moeder die gekweld werd en die kwellingen voor haar zoon verborgen wilde houden. De zoon die door de moeder werd gekoesterd. De moeder die de kwelgeest die haar achtervolgt op geen andere manier kan vermoorden dan door haar zoon een onzinverhaal over zijn vader op te dissen. En dat zestien jaar lang voorhoudt. Zestien jaar, een symbolisch getal in Alles waar ik spijt van heb, want was het niet op haar zestiende dat ze beviel van haar zoon?




Alles waar ik spijt van heb. Ja, de zoon wordt ook gekweld. Kan het anders? Hij verliet zijn liefhebbende moeder zestien jaar geleden. Zestien lange jaren, zestien magere jaren waarin ik een uitgebluste, licht verbitterde man was geworden.’ En nu ziet hij haar weer. Haar lippen waren bleek, bijna wit, alsof ze er krachtig op had gebeten en al het bloed eruit was weggetrokken. Voor het eerst. Dood. Levend heeft hij haar in die zestien jaar niet gezien. Niet gesproken. Niet geschreven. Niets. Alles waar ik spijt van heb. En nu is de liefhebbende moeder dood en vallen de kwellingen, personen, ervaringen en andere herinneringen uit het dooie verleden hem aan. Ik schaamde me omdat ik niet triest was, omdat ik niet gehuild had, hoewel ik diep van binnen een soort stekende leegte voelde die steeds groter werd. 

Over de personen gesproken. Absurd zijn de meesten, zo niet allen. Oreste Didione, de moordenaar in het slachthuis, die zei dat ieder mens op een bepaald moment zijn noodlot ontmoet in de gedaante van een steen, een wolk, de schaduw van een oude vrouw of om het even welke andere vreemde verschijningsvorm, maar dat slechts weinig mensen het dan doorhebben. De priester die de begrafenis zal leiden. Hij ligt met zijn hoofd op een hoek van de tafel te slapen. Zijn mond hangt open en zijn Bijbel ligt open op het Hooglied. De liefdesdialoog van Salomo en de Sulamitische. Volgens dit absurde personage gaat het er niet om zich af te vragen waaraan de doden zijn gestorven, maar waarom. En Claudel suggereert: vanwege alles waar de hoofdpersoon spijt van heeft.

Daar staat grootvader voor het raam. Een schim uit het verleden. Zijn huis is allang met de grond gelijk gemaakt. Schapen grazen af en toe op de grond waar het huis ooit stond. Grootvader blijft een schim, een schim met een hand zwaar en ruw. Brandend en ijskoud. En grootmoeders’ schim zit in een hoek van de kamer geluidloos te snikken. En dan de envelop. Met het geheim van zijn leven. Je denkt: gaat hij hem open maken en tegelijk weet je dat dit niet zal gebeuren. Of toch?

Lees de geraffineerde roman Alles waar ik spijt van heb van Philippe Claudel en zet na afloop een requiem op in plaats van de indrukken met drank te verdrinken.

Alles waar ik spijt van heb / Philippe Claudel / De Bezige Bij / e-book