Het Krammer-Volkerak en het Zoommeer weer zout

Het Krammer-Volkerak en het Zoommeer weer zout?

Ooit, ik was toen nog iets jeugdiger dan ik nu ben, genoot ik van de getijden in de vluchthaven en het Schelde-Rijnkanaal bij Tholen. Was het laag water, dan zocht ik naar krabbetjes, visloodjes en al het andere dat je bij laag water op het slik en tussen de stenen kunt vinden. En bij hoog water was het een kwestie van wachten tot het water zover was gezakt dat je weer naar beneden kon glibberen over het klapperwier en de groene algen.

Weg getijdenwerking

Dat zijn mijn jeugdherinneringen. Maar toen was ik veertien en werd het laatste gat in de Oesterdam dichtgegooid. Weg getijdenwerking. Van het ene op het andere moment. En langzaam stierf al het zilte leven in het Zoommeer, op bot en paling na. Alikruiken, krabben, kreeften, mossels, zeepieren, kokkels, zeesterren, zeepokken, zeepaardjes en wat niet, alles dood. Het Zoommeer moet één groot massagraf zijn geweest. Eerlijk is eerlijk: ik heb daar géén herinneringen meer aan. Geen drijvende dooie vissen. Geen misselijkmakende lucht. Maar de macabere aanblik moet er toch wel geweest zijn? Of speelde zich dat allemaal onder water af, onzichtbaar voor het oog en door de neus niet te traceren?

Langzaam veranderde het Zoommeer (en het Krammer-Volkerak) in een zoet meer. Elke zomer kleurde het water blauwgroen van de giftige blauwalg. En sommige zomers manifesteerde zich de ziekte botulisme in het meer. Dan mocht je er niet zwemmen en zag je eenden de meest vreemde kunstjes uithaalden. Stervenskunstjes, welteverstaan.

Nieuwe natuur

Jaren later, nog niets eens zo heel lang geleden, brak een volgende fase aan. Die van de nieuwe natuur. Het onderwaterleven in het zoete bassin begon te floreren en het water werd schoner. Een of andere exotische zoetwatermossel wist zich in het meer te vestigen en filtert nu de blauwalg uit het water. Snoekbaars, snoek en andere zoetwatervissen bevolken het meer en oefenen grote aantrekkingskracht uit op sportvissers. Op allerlei plekken groeit bijzondere flora, zoals op Schor Alteklein, jazeker, het schor waar ik in mijn jeugd vislijnen zette. De paling die zich had vastgeknoopt in de lijn kan ik me nog goed herinneren. Helaas hadden de meeuwen de weke delen al uit deze heerlijke vis gevreten. Maar gebakken hebben we hem. Ah, Oosterscheldepaling, wat een heerlijke vis! Helaas is de paling nu bijna uitgestorven. Deze trekvis kan nergens het land meer in juist doordat we overal dammen en stuwen hebben aangelegd.

Op andere locaties in het gebied vestigden zich vogels die je daarvoor zelden tot nooit zag. Een kolonie lepelaars huist nu op de eilanden in het Volkerak. Kleine en grote zilverreigers broeden er. En ook de zeearend heeft zich gevestigd met twee paartjes. Wie in het najaar over de Philipsdam en Grevelingendam rijdt, verbaast zich over het enorme aantal ruiende vogels op de plas. En wandel in april eens over de voormalige zeedijk langs het Zoommeer. Op een aantal plekken zie je daar de geoorde fuut dan in grote getale baltsen. Schitterende vogels met hun gouden oren. En om het helemaal af te maken: de blauwborst broedt in het struweel op de oever. Daar waar ik ooit alikruiken raapte voor de visboer.

Wandeling langs het Zoommeer en Schelde-Rijnkanaal

Toch weer een zout meer?

Dit is dus allemaal het resultaat van menselijk ingrijpen. Want in Nederland is de natuur vooral gemaakte natuur. Constant zijn wij deltabewoners in de weer om onze omgeving te manipuleren. Waarbij we in veel gevallen de gevolgen nauwelijks kunnen overzien. Welke profeet had de blauwalg zien komen? En gaan? En wie had verwacht dat de zeearend in het gebied zou gaan broeden? En zo zijn er nu weer ambitieuze mensen die zich afvragen of het Krammer-Volkerak-Zoommeer toch weer niet omgevormd zou moeten worden in een zout meer. De vermeende voordelen: een definitief einde aan de blauwalg én economisch gewin. Met het zoute water komt dan ook weer een deel van het getij terug. Niet meer het fantastische getij van weleer. Nee, meer dan 30 centimeter getijdenverschil zal er niet komen. Dat staat voor mij eerlijk gezegd gelijk aan niets. Maar je kunt er dan weer mossels en oesters in kweken. En wellicht nog wat kreeften…

Maar moeten we dat zoute meer wel willen? Wat sollen we toch met de natuur in ons land en in de delta? Hebben we eindelijk ongerepte en uitgebalanceerde natuur die zich nog altijd in de goede richting ontwikkelt, treedt er weer een overijverige ambtenarencommissie aan die de contra-revolutie predikt. Met als gevolg een herhaling van de immense sterfte in het meer, maar dan in omgekeerde volgorde. Want alle zoetwaterleven zal onbarmhartig afsterven. Laat ik dan vanaf deze plek mijn profetie mogen uitspreken: voor de paling, die lijkenvreter pur sang, zal de ingreep fantastisch uitpakken. Zoveel lijken, zoveel te vreten. Er liggen palingrijke jaren in het verschiet. Nog even wachten, popelende stropers en vissers!

Ik heb mijn ernstige twijfels

Ik heb eerlijk gezegd mijn ernstige twijfels. Zo’n beperkt getijdenverschil, wat levert dat voor water op? De kans is groot dat er ook in het Krammer-Volkerak-Zoommeer stinkende plekken ontstaan. Zuurstofloos slib dat zich ophoopt en zal zorgen voor een afgrijselijke stank. Zoiets is ook gebeurd in het Grevelingenmeer. Daar doen overheden nu verwoede pogingen om de teloorgang tegen te gaan, maar wat ik ervan zien is vooral een enorme investering en een hoop getob. Willen we dat in het Krammer-Volkerak-Zoommeer? En dat voor die paar oesters en mossels die je in het zoute water kunt kweken?

Nu noemde ik het Grevelingenmeer. Inderdaad, grote delen van dat zoutwatermeer zijn zuurstofloos. Een enorme opening in de Brouwersdam moet de oplossing worden. Een investering van vele, vele miljoenen om de schaduwkanten van menselijk ingrijpen te weg te poetsen. Maar er is ook een zonnige kant. De Slikken van Flakkee zijn een vermaard natuurgebied. En dat gebied ligt aan de oevers van een getijdenloos zoutwatermeer. Het kan dus wél, fraaie natuur in een zoutwatermeer. Ook daar jaagt de zeearend. Ook daar komt de lepelaar voor, met de kleine en grote zilverreiger. En de zomertortel broedt er nog. En op de oevers staan bijzondere orchideeën. Die natuur heeft zich echter wel in de loop van tientallen jaren zo moeten ontwikkelen. Het proces van ontwikkeling naar een uitgebalanceerde natuur zal in het Krammer-Volkerak-Zoommeer een vergelijkbare periode vergen. Is dat het gigantische verlies waard?

De blauwalg dan?

Dan de blauwalg. Ja, die sterft ook af in het zoute water. Nóóit meer blauwalg. Gelukkig. Maar ik lees in een artikel in BN/De Stem dat de blauwalg vooral wordt veroorzaakt doordat vanaf de Brabantse kant meststoffen het water in sijpelen. Dat heeft men kennelijk niet onder controle. En let op: als dat door blijft gaan in dat zoute meer met zijn wel-heel-beperkte getijdenwerking, dan zal zich ook daar een algenexplosie voordoen. Ook in zout water heb je immers algengroei. Ik verzeker je: dan zijn de rapen helemaal gaar, want zoutwateralgen meuren helemaal de pan uit. Steek je neus maar eens in een hoop Oosterscheldemodder. Ik vind het een heerlijke lucht als ik pieren sta te steken, maar eerlijk is eerlijk: ik hoef me ‘s avonds met die aroma’s van stinkende zwavel en rottend slik niet in de echtelijke sponde te melden. Je moet je voorstellen dat zo’n stinkbom zich over het hele gebied verspreid…

En de nieuwe zoute natuur dan?

Ja, maar in zo’n zout meer ontwikkelt zich weer nieuwe natuur. Rijke natuur, meer bij de oorspronkelijke deltanatuur passend. Ik betwijfel het eerlijk gezegd sterk. De situatie van voor 1988 komt niet meer terug. De kwelders her en der keren niet meer terug. Het getij is daarvoor straks veel te zwak. Om een rijke deltanatuur te realiseren heb je een sterke getijdenwerking nodig. Met uitschieters naar boven en naar beneden. Maan en zon moeten ongebreideld aan het water kunnen trekken. Reken er dus maar niet op dat je ooit weer zeepieren en zagers kunt steken op de Speelmansplaten of de Prinsessenplaat…

Komt bij dat het Krammer-Volkerak-Zoommeer volgens mij ook nog eens zijn aangewezen als waterbergingsgebied voor het geval de grote rivieren te veel water te verstouwen krijgen. Hoe moet ik me dat voorstellen? Komt er opeens een enorme bak zoet rivierwater een zout meer instromen… Dat wordt toch nooit wat? Waar moeten de gepen en makrelen dan naar toe?

Kijk, zouden we situatie van voor 1988 weer terug kunnen toveren, dan zou ik anders in de discussie staan. Dan zouden eb en vloed hun invloed weer volop kunnen uitoefenen op de schorren en slikken. Dan zou de oorspronkelijke natuur zich weer herstellen. Daar valt veel voor te zeggen, mits de veiligheid in het gebied niet in gevaar komt. Wat er dan gebeurt, zie je momenteel in het Rammegors. Dat geweldige zoetwaternatuurgebied van weleer, rijk aan bijzondere flora en fauna, is een paar jaar geleden teruggegeven aan de Oosterschelde. Waardoor de oorspronkelijke kwelders zich weer herstellen. Dat vind ik op zichzelf prachtig, hoewel ik de roerdomp en baardmannetjes wel mis. Trouwens, het Rammegors zal toch geen proeftuin zijn voor het ‘grote werk’?

Zoet water is van strategisch belang

Dan is er natuurlijk ook nog de kwestie van het zoete water. Wereldwijd is er een enorm tekort aan zoet water. En ook Nederland verdroogt in rap tempo. Moeten we dan perse een zoetwatermeer omturnen in een zout watermeer? Niet alleen de boeren hebben hier een hard hoofd in, en terecht. Ik zou zeggen dat het vanuit het perspectief van de overheid juist van strategisch belang is om over een zoetwaterbassin te beschikken waar je U tegen zegt.

Zoet houden

Alles afwegende zou ik het bassin zoet houden. Laat de natuur zich ontwikkelen zoals die dat nu doet: spectaculair. Misschien dat de natuurdoelen hier en daar nog wat scherper gesteld kunnen worden. Ons niet alleen maar richten op de spectaculaire soorten. Maar ook op soorten waarvoor de delta van groot belang voor is. Steltlopers bijvoorbeeld. Als de economische kaart dan toch getrokken moet worden (en dat snap ik op zichzelf ook wel weer), doe dat dan op een manier die past bij het zoetwaterbassin. Reken bijvoorbeeld alleen al de waarde van zoet water eens door. Ik vermoed dat de waarde van die bak zoet water immens is. Niet alleen voor de boeren, maar ook voor burgers, overheden en bedrijfsleven. En ook in het gebied zoals dat nu is valt vast nog meer economische waarde te realiseren.

Helaas, mijn jeugd keert niet meer terug

Je ziet het. Ik accepteer dat mijn jeugd niet meer terug zal keren. Nooit meer alikruiken rapen in het Schelde-Rijnkanaal. Nooit meer kreeften opduiken bij de Stenen Trap. En geen zeebaarzen bij Deurloos Kaaitje (eerlijk is eerlijk: die heb ik er voor 1988 ook nooit gevangen, ik heb er zelfs nooit gevist). Maar ja, ik ben dan ook een stuk grijzer dan toen ik tien was en ook camoufleer ik mijn kale schedel tegenwoordig met een hoed. Nee, wat de ambtenaren ook verzinnen, mijn jeugd keert niet meer terug, helaas.

Conclusie

Liever het zoete heldere water van nu dan het flut getij dat politici en ambtenaren ons voor houden. Dat lijkt me bij voorbaat al een bedorven worst annex vis.

De mooiste boeken voor aan de kust: