Een tussenstation voor vogels

‘En donzig ook verdwenen zij, steeds verder vliegend en steeds heinder, als eindereenden aan de einder,’ dichtte Kees Stip op de eidereend in zijn befaamde bundel Het grote beestenfeest. Steeds verder vliegend, dat geldt in het najaar voor héél veel vogels. Soms vliegen ze in grote aantallen voorbij. En op sommige plaatsen kun je die verplaatsingen van heel dichtbij volgen. Vandaag: de Zuidpier bij IJmuiden.

Staat de herfst op het punt van beginnen, dan begint het altijd te kriebelen. Elke dag bekijk ik de waarnemingen. En als zich dan een krombekstrandloper meldt, of een kleinste jager, dan slaat de spijt toe. Had ik maar, was ik maar. En de urgentie neemt toe. Wanneer heb ik een vrije dag? Welke zaterdag hoef ik niet te rijden voor de korfbalcompetitie van mijn kinderen? Wie dit herkent, zal ook de desillusie herkennen wanneer de avond voor de dag van het beoogde bezoek een stevige wind wordt voorspeld. Dan weet je: het hek op de pier wordt gesloten. Uit voorzorg. Er zijn al de nodige mensen van de pier geslagen door de enorme golven die op de rotsblokken beuken. En regen, dat is ook niet fijn.

Maar altijd breekt de dag aan dat ik de honderd kilometer die mij van de pier scheiden, ga overbruggen. Ruim een uur rijden waarin ik Rotterdam, Delft, Den Haag, Leiden en Schiphol passeer. Maar dan ben ik er en inhaleer ik de zoutige lucht van de Noordzee. Van Alblasserdam naar de Zuidpier. Van de ene wereld vol contrasten naar de andere. Alblasserdam is het dorp van de molens en het moerasgebied van Kinderdijk en de hoogovens van Nedstaal. IJmuiden is de stad van Tata Steel en Noordzee. Aan de ene kant het rustige strand; aan de andere kant bedrijvigheid. Aan de kant van het strand geen boten; in de toegang naar het Noordzeekanaal de grootste schepen die er zijn. En ook de zee heeft hier twee gezichten: de ruwe en ruige kant, die van de open zee. Voortdurend klotsen en schuimen de golven aan de buitenkant van het twee kilometer lange betonnen geval. Aan de binnenzijde kabbelen ze slechts, het wateroppervlak is er spiegelglad of hooguit een beetje rimpelend dankzij de aanlandige wind.

In september en oktober is de Zuidpier het decor van een van de machtigste natuurfenomenen: de vogeltrek. Eigenlijk begint de trek al in de zomer. Dan melden zich de eerste gasten uit het noorden: regenwulp, rosse grutto, steenloper, de eerste kleinste jager. Vanaf september wordt het er steeds drukker. Vanuit Groenland en Spitsbergen komen drieteenstrandloper en paarse strandloper aanvliegen. De bonte strandloper en rosse grutto volgen in hun spoor vanaf de toendra’s in het hoge noorden. Jan-van-genten vliegen hun rondjes en de eerste groepjes zwarte zee-eenden vliegen over zee voorbij.

Wat ook zo wonderlijk is: de trek van de zangvogels. Die vindt vooral in de vroegste uurtjes plaats, in de schemering rond zonsopgang. De meeste zangvogels vliegen parallel langs de kust. Meestal volgen ze de duinen, tot hoog in de lucht. De grens van het spiegelende water en het donkere vasteland is immers een richtingaanwijzer van formaat. Wie de kust volgt, koerst hier automatisch aan op noord of zuid. En in het najaar dus naar zuid. Soms echter vliegt ook een zangvogel over zee. Een goudhaantje steekt vanuit Groot-Brittannië de Noordzee over. Een tapuit waait door de oostenwind de zee op en houdt zich met moeite in de lucht. Een rietzanger volgt het strand en ziet de pier opdoemen. Dodelijk vermoeid ploffen ze neer tussen de rotsen. Ze zoeken naar zoet water. Drinken wat. Rusten uit in een windstille nis. Zoeken naar insecten. Sterken kortom wat aan voor de volgende etappe op hun reis.

Het is indrukwekkend wat daar gebeurt. Duizenden en duizenden vogels passeren de pier. De één ontwijkt het bouwsel, de ander ploft er op neer. Weer een andere soort landt op het strand en zoekt naar voedsel in de branding. Drietenen en bontbekken rennen met de golven mee het strand op, snellen met de golven weer terug. En het aardige is: je kunt het van dichtbij volgen, want de vogels op de pier zijn redelijk aan mensen gewend.

Mijn cameratas ligt achterin de kofferbak en ik haal mijn camera uit de tas. De adapter voor het statief zit er nog aan, maar het laatste voorwerp is zoek. Stom, stom, stom, mijn statief staat nog thuis, ruim honderd kilometer zuidelijker. Ik zal creatief moeten zijn om toch te kunnen filmen vandaag. Heb ik een plank mee waar ik mijn raamstatief aan vast kan schroeven? Zie ik iets bruikbaars op het parkeerterrein slingeren? Een plankje? Niets van dat al en ik besluit mijn rijstzak mee te nemen. Dat wordt sjouwen, maar wel een voordeel: zo film ik altijd vanuit laag perspectief. Eenmaal op het strand blijkt het zo eenvoudig nog niet om vogels te filmen. Een enorme groep meeuwen, een mix van zilvermeeuwen, grote mantelmeeuwen, kleine mantelmeeuwen, adult en juveniel, kijkt me argwanend aan. Daar gaan de eerste meeuwen al op de wieken. Als ik op mijn knieën ga zitten, vliegen ze klaaglijk miauwend op. Dat meeuwen schuw zijn, wist ik wel, maar zo erg…? Helaas verkiest het groepje drieteenstrandlopers met twee bonte strandlopers ook een locatie waar meeuwen samen klitten. Er zit ook een viertal grote sterns tussen de meeuwen. Ik doe mijn best, maar ook deze poging strandt in lelijkheid. Alles vliegt op en de strandlopers zwenken naar het zuiden, strijken vierhonderd meter verderop neer. Waar, o geluk!, een andere vogelfotograaf komt aanwandelen. Dat is de strategie die Sjaak, mijn (vogel)vriend, en ik vaak beproeven. We drijven de vogels voorzichtig naar elkaar toe. En zo geschiedt het wonder: in nog geen tien minuten tijd drijft de fotograaf het groepje drietenen en bontjes naar mij toe. Ze drentelen tussen de scheermessen door op mij af en naderen mij zo dicht, dat het filmen haast onmogelijk is. Missie geslaagd, maar ik wil meer! Ik wil de pier op, maar wat een deceptie: er vindt onderhoud plaats en het hek – alleen gesloten bij harde wind – is nu ook hermetisch afgesloten. Dan in de branding maar wat meeuwen filmen en ginds de groep grote sterns die zich voorbereiden op hun reis naar het zuiden. Ondertussen ril ik van de kou, want liggend in het natte zand filmen is geen pretje wanneer je gekleed bent in spijkerbroek en trui. Maar alles beter dan het lot van de grijze zeehond verderop op het strand. Zijn kop is afgekloven, zijn dikke lijf nog dikker dan normaal. Het beste is er wel van af, concludeer ik met een andere beschouwer.

De pier is een fraai staaltje van menselijke ijver. Niet aangelegd om die arme vogels op te vangen, maar om schepen een rustige toegang tot het Noordzeekanaal te garanderen. Samen met de Noordpier, een stuk minder lang, temt de Zuidpier dit stukje water. Hier alleen bij de heftigste stormen water dat bruist. Was het Noordzeekanaal en de monding in eerste aanleg voorbehouden aan industrie, daar ontdekte al heel snel na aanleg de visserij de voordelen van de haven van IJmuiden. Die prompt uitgroeide tot de grootste visserijhaven van Nederland! De rotsblokken ondertussen, groter dan de menhirs van Obelisk en ruwer en gladder dan de rotsformaties in de Alpen, bleken ideaal leefterrein voor veel kustvogels die afhankelijk zijn van steen en rotsen. De paarse strandloper bijvoorbeeld zie je zelden op het strand. Deze fraaie steltloper is gespecialiseerd in een leven op de rotskusten. De Zuidpier is met de Brouwersdam, de Scheveningse pieren en die van Hoek-van-Holland zo ongeveer het enige stukje rotskust dat ons land rijk is.

Dertig á veertig drieteenstrandlopers drommen samen op een rotsblok. Het water schuimt langs de poten. Ze deinzen terug voor het water en veren mee terug zodra het water wijkt. Het water stijgt en al snel beukt een enorme golf op de rotsen. In een fractie van een seconde vliegt de groep op en strijkt verderop neer, op een blok iets hoger dan daarnet. Het valt me op dat de paarse strandlopers het iets langer uithouden. Ook zij deinzen terug, maar gespecialiseerd als ze zijn in een leven op de rotsen, lopen ze met het wijkende water mee terug en zoeken naar eetbaars dat het water achterliet. Drietenen zoeken over het algemeen op het strand naar voedsel. De pier gebruiken ze om uit te rusten zodra het hoog water wordt. En waar in het waddengebied of in de Oosterschelde hoogwatervluchtplaatsen licht worden verstoord, daar blijven de steltlopers op de Zuidpier wonderbaarlijk lang zitten als iemand hen passeert. Ze zijn kennelijk gewend aan mensen of ze weten dat die zich niet begeven tussen de spekgladde rotsen waar af en toe een mens het leven heeft gelaten.

Maar eerlijk is eerlijk: niet alleen vogelaars komen uitwaaien op de pier. Is de pier open, dan werpt menig zeevisser een hengeltje uit. In het najaar in de hoop een gul, schar en wijting aan de haak te slaan. In de zomer zijn tong en zeebaars beoogde prooien. Ik vind het altijd leuk om een praatje te maken met de visser. Hoe vaak heb ik zelf niet staan vissen in de Waterweg bij Rotterdam? De Zuidpier lijkt me als visstek veel beter. Hier geen verstoorde horizon en ook geen onderstroom die zelfs het zwaarste bonk lood meesleurt alsof het een stukje hout is. Deze zomer werd deze droom echter wreed verstoord: Tata Steel loost gif in de Noordzee en dat gif is vervuilender dan toegestaan volgens Europese normen, zo meldt de Volkskrant. Daar zijn we dan lekker mee. Zou een zeebaarsje hier gevangen nog wel zo goed zijn voor lijf en leden? En een scharretje of wijting? Gelukkig, ik ben vogelaar en ben voor mijn voedsel niet afhankelijk van wat ik alhier uit zee opvissen kan.

Voor een vogelaar echter zijn er andere bedreigingen. Lig je rustig op het strand te wachten tot de strandlopers je naderen, dan komt daar een hond aan rennen, de klassieke ‘vijand’. Weg meeuwen, weg drietenen, dag lieve vogels. Onvoorspelbaar wanneer de eerste hondenliefhebbers zich op het strand begeven, maar reken maar dat vanaf negen uur de eerste baasjes het strand op komen. Ook wandelaars zonder viervoeter trekken zich vaak niets aan van de vogels en vogelaars op dit stukje strand. Ze doen net of ze niets zien en jagen alles op, en weg. Dit voorjaar werd me dit een beetje te gortig. De grote sterns, visdieven, rosse grutto’s, dwergmeeuwen en andere kustvogels werden om de haverklap opgejaagd. Ik schreef een brief naar de gemeente met daarin de vraag of het hoekje strand voor de pier niet op een andere manier toegankelijk gemaakt kan worden. Een manier die beter is voor de vogels. Ik besef dat ook vogelaars dan minder makkelijk toegang hebben tot dit vogelrijke stukje strand, maar dat is een offer dat rechtvaardig is, me dunkt. Waar langs de Nederlandse kust zie je zoveel soorten kustvogels op het strand? Vogels die op krachten komen van de ontberingen van de lange reis. Vogels die alle energie nodig hebben om de oneindig lange reis te overleven. Nooit een reactie ontvangen van de gemeente. Het lijkt me ook best lastig om de toegang tot dat stukje strand te beperken.

Op zaterdagen en zondagen schuifelt menig vogelaar over de pier. Vogels kijken wint nog altijd aan populariteit en dat wordt zichtbaar op de pier. Wandelaars, gekleed in camouflagekleding, sjouwen met hun verrekijker, telescoop of camera in de richting van het groene torentje aan het eind. Bijna drie kilometer wandelen, zes kilometer retour, het past uitstekend in een bewegingsrijk leven. We hebben het als samenleving drukker dan ooit, en waar kun je dan beter uitrusten en onthaasten dan op de pier? Waar in het najaar grote groepen kustvogels samen klonteren en waar je verderop in één van de strandtenten geniet van een voortreffelijke kop koffie met appelgebak? Ach, vergeet de honden, de stugge wandelaars, de hoogovens en de harde werkers aan de pier. Kop in de wind, neus in de zilte lucht en de ogen spiedend naar opzij en omhoog.

‘En donzig ook verdwenen zij, steeds verder vliegend en steeds heinder, als eindereenden aan de einder,’ dichtte Kees Stip. Komend voorjaar keren ze hopelijk weer terug vanachter de einder. Dan sta ik op de uitkijk, dat beloof ik ze. Op de uitkijk voor dwergmeeuw, rosse grutto en hopelijk ook weer de strandplevieren die ik dit voorjaar op het strand filmde. En de kleine strandloper. En de bontbekplevier. Maar eerst de winter nog. Met hopelijk een paar maanden sneeuwgors en strandleeuwerik te gast in de duinreep alhier.

Mijn tips voor natuurbeleving en vogels kijken

Met deze tips beleef je de natuur nog intenser en komen de vogels letterlijk dichterbij:

(voor elk budget de drie beste opties)

(héél véél keuze, en zelfs met geheel contactloos verblijf!)

(voor elk budget een paar opties)

(per provincie gesorteerd)

(aantrekkelijke planten voor vogels, vlinders en andere insecten)

(lees hier mijn tips om spechten, mezen en roofvogels naar je tuin te lokken)

(mijn persoonlijke top tien)